An eye for an eyeb
Hallo iedereen.
Voor dat jullie me de huid beginnen vol te schelden over het feit dat ik vorige week geen column heb geschreven, wil ik me toch even verdedigen en uitleggen waarom dat zo was. Vrijdag heb ik namelijk een hele dag in het ziekenhuis gelegen. Wat er precies is gebeurd, zal ik jullie nu allemaal haarfijn uitleggen.
Zoals elke morgen reed ik vrijdag naar mijn werk. Het enige verschil met elke andere dag is dat ik er die bewuste dag nooit ben geraakt. Wanneer ik de Belfortstraat indraaide, reed er plots een auto met hoge snelheid recht op mij in. Van wat er zich de volgende uren heeft afgespeeld, weet ik echter niets meer. In het ziekenhuis ben ik terug bij bewustzijn gekomen. Daar vertelde Merel me dat de aanrijder onmiddellijk vluchtmisdrijf had gepleegd. Omdat ik een Flik ben, hield Merel ook rekening met kwaad opzet. Er zijn altijd wel mensen die wraak willen, omdat ze in de gevangenis hebben gezeten. Ik krijg nu eerlijk gezegd nog rillingen bij die gedachte. Brr… Ik mag er niet aan denken!
Uiteindelijk heb ik nog geluk gehad: een gebroken pols, enkele gekneusde ribben en heel wat schaafwonden. Maar het had veel erger kunnen zijn. Johan vindt me trouwens best nog sexy met al die wondjes en sneetjes. Wel ja, ik mag pijn afzien! Telkens hij me aan het lachen brengt, doen mijn ribben zo’n pijn.
Maar om nu even terug te gaan naar ‘mijn zaak’. Op de plaats delict had men natuurlijk glasscherven, band - en verfsporen gevonden van de wagen die me had aangereden. Het bleek om een donkergrijze Peugeot 407 te gaan. Zo rijden er hier in Gent natuurlijk heel wat rond. Wanneer ik de lijst met personen die in het bezit zijn van zo’n auto te zien kreeg, stond er ook niemand tussen die me bekend in de oren klonk. Ze stonden dus nog geen stap verder…
Rond de middag besloot ik om even een dutje te gaan doen. Ik had nog steeds barstende hoofdpijn en de pijnstillers werkten ook slaapwekkend. Jammer genoeg kon ik de slaap niet vatten. Ik bleef echter wel stil en met m’n ogen toe op mijn bed liggen. Na ongeveer tien minuten kwam er een iemand mijn kamer binnen. Het kon geen dokter of verpleegster zijn, want ik had gevraagd om mij even met rust te laten en Johan zou niet voor drie uur komen. Ik besloot om gewoon doodstil te blijven liggen en even af te wachten wat er zou gebeuren. Wanneer het echter nogal stil bleef rondom mij deed ik mijn ogen lichtjes open. Ik zag een man die net op het punt stond om iets in mijn infuus te spuiten. Uit volle paniek ben ik recht gekomen, heb dat ding uitgetrokken en de dokters gealarmeerd. Ikzelf kon die kolos van een vent niet in bedwang houden, maar gelukkig had Merel eerder die dag mijn wapen meegebracht. Als zij dacht dat er iemand op uit was om me te vermoorden, dan moest ik mij kunnen verdedigen. Dus heb ik erop aangedrongen om m’n wapen te brengen. Ik had het bewaard onder mijn hoofdkussen en trok het er razendsnel vanonder. ‘Blijf staan!’ De man wist niet wat hij zag en besloot gelukkig om te gehoorzamen. Even later kwam er een verpleger binnen en nadat hij de situatie in zich had opgenomen, verwittigde hij onmiddellijk de security. Even later werd de man gearresteerd.
De man die het op mij had gemunt, heette Jason Climber. Enkele weken geleden had ik twee goede vrienden van hem opgepakt. Hij had zijn vrienden beloofd om, ik citeer, ‘die blonde b*tch te straffen!’ Op dit moment vertoeft Jason samen met zijn vriendjes in blok B van ‘De Nieuwe Wandeling’.
Na zo’n incidenten ga ik toch wel altijd eens nadenken over de grote risico’s die mijn job inhoudt. Maar dan kom ik steeds terug op hetzelfde besluit: Ik doe mijn job veel te graag en ik ben dus niet van plan om na dit incident iets anders te gaan doen. Ok, ik weet ook wel dat mijn gezin niet altijd helemaal veilig is, Dorien of Simon konden die morgen bijvoorbeeld ook in de wagen hebben gezeten, maar ik denk niet dat zij, én zeker ik niet, er gelukkiger mee zouden worden als ik geen flik meer ben.
‘Once a Flik, always a Flik.’
Groetjes,
Britt.
(© Lieneke, 25/05/’07)
|