Ik citeer…
Goedenavond!
Deze column schrijf ik namelijk ’s avonds. Lola ligt in bed en ik ben zelf ook wel best moe. We hadden een drukke week. Na deze column kruip ik dan ook mijn warme bedje in voor mijn welverdiende nachtrust. Maar eerst vertel ik jullie over mijn drukke week.
Het begon allemaal maandag toen Pasmans en Raymond opgeroepen werden voor een aanrijding. Tina had er het grootste plezier mee dat zij juist moesten gaan. Waarom weet ik niet, maar ze is tegenwoordig wel meer aan het lachen als andere moeten uitrukken voor een ‘banaal ding’ zoals zij het noemt. Een kwartier later kregen Britt en ik telefoon van Raymond. ‘We zouden toch beter eens komen kijken.’ Britt trok alweer zo’n lang gezicht. Zo één waarvan ik de eer had het hele Flikkenweekend naar te kijken. Onder het gelach van Tina vertrokken Britt en ik dus naar de aanrijding.
Daar aangekomen bleek het heel wat serieuzer dan dat we gedacht hadden. In de koffer van een rode Honda bleek een lijk te zijn gevonden van een vrouw. Het duurde niet lang of de hele ‘santenboetiek’ was erbij gehaald. Deze keer schoof ik het buurtonderzoek af op Pasmans, die daar helemaal geen probleem mee had. Ik en Britt onderzochten de koffer en het lijk. Veel zagen we niet want de lijkschouwer kwam het lijk snel halen. We moesten, en ik citeer “Ma ne ké komn kijkn awe der goesting in an” (Maar een keer komen kijken als we er zin in hadden) Alsof we er tot volgende week mee gingen wachten de moordenaar op te sporen.
Van zodra we konden zijn we dus naar het mortuarium gegaan. We onderzochten samen met de lijkschouwer het lijk. Die lijkschouwer blijkt overigens nogal een snugger type te zijn. De steekwonden in de zij van de vrouw zag je al van een kilometer ver, maar en ik citeer opnieuw: “Kzij der ni onderd procent zekerst van, ma kpijs da ze neergestokn is” (Ik ben er geen 100% zeker van, maar ik denk dat ze neergestoken is)
We keerden dan maar zonder iets wijzer te zijn worden terug naar het commissariaat. Het labo rapport lag er al. Daar stond gelukkig wel iets bruikbaars in. In de koffer hadden ze een haar gevonden dat bleek afkomstig te zijn van ene Heidi Wilcox. Britt zocht Heidi snel op en zag dat ze hier een adres in Gent had. Heidi was trouwens al eens veroordeeld geweest wegens drugsgebruik en slagen en verwondingen. Nu kon ze er ook nog moord bij zetten. We hebben een patrouille Heidi laten oppikken. Britt en ik zijn dan Heidi gaan ondervragen. Veel vragen hebben we niet moeten stellen.
Ze had de vrouw, die Céline De Ruiter, bleek te heten vermoord omdat, en ik citeer nóg eens “Die dwaze teeve a mijn shot vo dien dag gepikt. Ze peisde zekerst es goe van de grond te goan. Awel ké ze een andje golpen.” (Die dwaze teef had mijn shot voor die dag gestolen. Ze dacht zeker eens goed van de grond te gaan. Wel, ik heb ze een handje geholpen). Ik heb dan maar in een even beleefd taaltje geantwoord: “awel é wijveke, dan meugde gij es goe een poar joar in de celle gaan zwerve. Kzal kik u daarbij een andjen elpen.” (Wel wijfje, dan mag jij eens een paar jaar in de cel gaan zwerven. Ik zal u daarbij een handje helpen.)
Het was precies de week van de citaten als ik het zo terug lees. Maar goed, het belangrijkste was dat we de moordenaar gevonden hebben. Zo nu kruip ik mijn bedje in.
Slaapwel!
Winter.
Astrid 05 Oktober 2006
|