De coffeeshop
Hallo iedereen,
Ik ben blij te mogen vertellen dat John ons eindelijk weer een beetje accepteert, dat hij minder..., hoe moet ik het zeggen? Minder..., nee, méér vertrouwen in ons heeft. Hij laat ons weer meewerken met de wat grotere zaken, en zet ons op steeds meer kleinere zaken. Soms kost het hem wat moeite, omdat hij volgens mij bang is dat we het weer zullen verprutsen. “Maar uw mooie ogen doen wonderen, Wilfried”, grapte Raymond laatst. John vond dat we de auto maar een keer moesten laten staan en te voet door het centrum moesten gaan patrouilleren. Raymond en ik waren allebei zielsgelukkig, en dat is ironisch bedoelt. Een van de ergste dingen die je een agent kan aandoen is ‘m in uniform laten patrouilleren tijdens een kleine hittegolf. Zo één die ons op dit moment plaagt...
Maandag ging voorbij, dinsdag, woensdag, donderdag, en het werd steeds warmer. De termometers wisten soms zelf ook niet meer hoe warm het was. Onze job verbiedt het ons om in het openbaar iets te eten of te drinken, en dat is bij zulke temperaturen nauwelijks te doen. We mochten van John voor één keer een uitzondering maken, waarvoor dank.
De afgelopen dagen was er niet veel gebeurd (lees: niets), maar vandaag eindelijk wel. We zagen een jongen van een jaar of twintig drugs verkopen. Wij zagen hem, en hij ons. Hij is direct gaan lopen. En wij waggelden er in een versnelde ganzenpas achteraan. Ja, wat wíl je met zo’n uniform en al die dingen aan je riem?
Hij rende een coffeeshop binnen. “We hebben ‘m”, zei Raymond, die redelijk vermoeid was door het harde rennen. We vlogen zowat door de deur van de coffeeshop heen, zo hard gingen we. En daar stond ‘ie, bij de jukebox, hopend dat we ‘m niet zouden zien. Raymond sloeg zijn hand op de schouder van de jongen: “Handen en benen gespreid”. Maar de jongen was niet van plan zich te laten arresteren: hij draaide zich om, en rende terug de straat op. Raymond en ik kregen beiden geen kans ‘m tijdens zijn vlucht naar buiten te pakken; hij was te snel.
We renden terug naar buiten. “Pak jij ‘m maar, Wilfried”, zei Raymond, “mijn rikketik springt zo meteen nog eens uit mijn keel.” Ik knikte en zette de achtervolging in. Ik heb half Gent moeten door rennen, maar dat was het waard: de jongen rende een doodlopend steegje in. “Eindelijk”, zuchtte ik, helemaal buiten adem. “Tegen de muur, armen en benen gespreid.” Nu luisterde de jongen wel; blijkbaar zag hij in dat hij toch niet zou kunnen ontsnappen. Het deed ongelofelijk veel deugd de jongen te kunnen boeien. “En nu ga je even nergens meer naartoe.” Ik gaf mijn locatie door aan Raymond en de combi, zodat ik snel zou kunnen gaan zitten om even fatsoenlijk te kunnen zitten. “Jointje, Pasmans?” grapte Raymond. “Neen dank u”, lachte ik, “maar een pintje gaat er waarschijnlijk wel in.” We hebben nog even een paar uur op het terras gezeten. Héérlijk is die zon, in ieder geval als je niets moet doen.
Dominique heeft ‘t eten klaar staan. Tot volgende week!
Toffe groeten,
Wilfried.
(©June, 05/05/06)
|