Bol het af

Hallo iedereen,

“Jullie zullen eraan moeten geloven mannen, ik heb niemand anders op dit moment.” John deed zijn best om verontschuldigend te kijken. “Jullie krijgen een aantal dagen extra verlof dit jaar als jullie deze week een paar nachtdiensten willen draaien.” Raymond en ik zagen het allebei niet echt zitten om weer de reddende engel te spelen. We keken elkaar betekenisvol aan. “Een leuk bonusje bovenop ons salaris en we spreken er niet meer over,” zei ik. John was verbaasd. “Euh...” Écht verbaasd. “Ik zal kijken wat ik kan doen... ... Bol het nu maar af...” We waren al opgestaan. “En verbeter de wereld,” zei Raymond laconiek. “Dat doe ik al bijna mijn hele leven.” “Tiens,” zei ik, “ik ook! Vertel eens?” Lachend liepen we John’s kantoor uit.

Daar zaten we dan. Nachtdienst. “Dit is dus écht de laatste keer, hè,” zei ik, terwijl ik een hamburger van de McDonald’s naar binnen werkte. “Ik wil wel eerst weten hoe hoog die bonus is...,” zei Raymond. “Als die acceptabel is, of beter, dan wil ik wel overwegen om het vaker te doen.” “Daar heb je gelijk in,” zei ik. “Misschien dat we dan op een gegeven moment fatsoenlijk eten kunnen bestellen, in plaats van een keer langs de frietboer te rijden en potentiële moordwapens naar binnen werken. Weet je hoe slecht dat vet voor je is?” “Voor ons niet, Pasmans,” zei Raymond. “Wij lopen dat er wel weer van af tijdens een achtervolging.” “Jaja...,” zuchtte ik. “De vorige keer dat we een week nachtdienst hadden, ben ik bijna drie kilo aangekomen door dat eten.” “Ik heb u destijds niet horen klagen,” zei Raymond. “Zat Dominique daar voor iets tussen?” Ondanks dat het redelijk donker was binnen, zag hij dat ik moest blozen. “Ja dus.”

Veel is er niet gebeurd deze week, enkel gisteren zijn we opgeroepen. We kregen een telefoontje van een vrouw die meldde dat er iemand haar deur probeerde open te breken. Ze was als de dood: het was een houten deur, en het kraken werd steeds luider. We hebben haar adres opgeschreven, en zijn ter plaatse gegaan. Eenmaal daar, zagen we inderdaad een man die met zijn schouder een deur probeerde open te krijgen. Het arresteren was niet moeilijk: meneer was dronken, moe door het beuken tegen de deur en zat onder de schaafwonden en blauwe plekken. We hebben hem meegenomen naar het commissariaat voor verder verhoor. De man was nog net niet te zat om te vertellen dat hij zijn gereedschap vergeten was en dat hij nooit meer zo veel zou drinken als hij ergens wilde inbreken. “In het ene huis werd ik weggestuurd door een kleuter, in het andere kwam ik niet eens binnen,” zei hij. “Een kleuter?”, vroeg Raymond hem. “Een kleuter,” herhaalde de man. “Ik stond dedju al binnen. Komt dat kind ineens beneden en zegt dat ik weg moet gaan. Ze was niet eens bang. Ik ben maar weggegaan. Stel dat dat kind zou zijn beginnen gillen. Dan had u mij vast al eerder opgepakt. Wist u trouwens dat dit mijn tweehonderd en zesentwintigste keer is?” “Inbraak?”, vroeg ik verbaasd. “Neen, arrestatie,” zei de man. “En zet mij nu maar in zo’n cel, ik wil slapen.” 

Vanochtend hebben we de krant gebeld, misschien zouden we dan het meisje vinden. Daarnet kreeg ik een telefoontje: ze wilden mij niet wakkerbellen, daarom dat ze dat nu pas deden. Het meisje was gevonden, en had samen met haar ouders een verklaring afgelegd. De collega’s van de dagshift hebben een kleine huiszoeking gedaan. Ze hebben ook het dossier van de inbreker opgezocht, bleek dat het dossier vierenveertig pagina’s bevatte... Laat ons zeggen dat meneer De Crimineel flink zijn best heeft gedaan.

Enfin, Dominique wil vanavond naar de film gaan. Hij zit al de hele middag in de krant te kijken welke hij wil gaan zien... Enfin, we zullen al naar daar gaan, dan zullen we daar wel beslissen. Tot volgende week maar weer!

Toffe groeten,

Wilfried.

(©June, 25/08/06)

Vorige Start Omhoog Volgende
* ©©©©© Alles op deze site is Copyright van de eigenaar en mag dus nergens anders geplaatst worden ©©©©©

*