Micha
Hallo iedereen,
Dinsdag kregen we een afschuwelijke zaak toegeschoven: een jongen van hooguit vijftien jaar was door de hond van een wandelaar dood bij het spoor aangetroffen. De jongen had rare, akelige brandwonden over zijn hele lichaam. Raymond en ik werden erbij gehaald. “Oké, er zijn een hoop opties die we moeten onderzoeken,” zei ik. “Moord, zelfmoord, een ongeluk... Weet jij er nog?” Raymond schudde zijn hoofd. “Ik stel voor dat we de mensen van het labo hun werk laten doen,” zei hij. “Vingerafdrukken van het slachtoffer nemen en zoeken naar mogelijk bewijs.” Ik knikte. Pas enkele uren later kregen we te horen dat het labo eindelijk vertrokken was van de plaats delict, voor zover die plaats delict een plaats delict leek tenminste.
We hebben de hele dag met onze duimen kunnen draaien. We hadden níks. We wisten niet eens de naam van het slachtoffer, en de labo-resultaten lieten ook lang op zich wachten. Pas tegen het einde van onze shift kregen we eindelijk een fax. Bleek dat de jongen niet in de database voor vingerafdrukken stond. Geen naam dus. We kregen een foto opgestuurd van het gezicht van de jongen, zodat we die konden verspreiden.
De volgende ochtend vonden we een hele stapel cd’s met daarop mogelijk waardevolle tips. Het kostte ons twee uur om alles te beluisteren en op te schrijven, zodat we er die dag nog mee aan de slag konden. We kregen een paar keer dezelfde naam te horen: Micha De Smet. Juist op het moment dat we uitgezocht hadden waar hij zou wonen, kwam Carla de teamruimte binnen lopen. “Er staat een vrouw beneden in verband met die jongen langs het spoor,” zei ze. “Ze is nogal overstuur...”
Het bleek inderdaad om Micha De Smet te gaan. De vrouw was zijn moeder, ze toonde ons een foto van haar zoon. “Ik wil hem graag zien,” zei ze; de tranen vloeiden over haar wangen. “Ik wil weten of het echt mijn Micha is.” We brachten haar naar het mortuarium. Het was écht Micha. “Heeft hij u ooit verteld dat hij bedreigd werd of iets dergelijks?”, vroeg Raymond toen de vrouw enigzins gekalmeerd was. “Of heeft hij ooit aangegeven zelfmoord te willen plegen?” De vrouw schudde haar hoofd. “Hij heeft in ieder geval nooit iets laten merken...”
We besloten terug te gaan naar de plaats waar de jongen was gevonden. “Pas op, Wilfried,” zei Raymond, die mij in de richting van de berm stuurde, “een trein.” We zijn een aantal meters van het spoor gaan staan om te wachten tot de trein voorbij was. Wat we tóén zagen..., het is te erg voor woorden. “Zie jij wat ik zie, Raymond?”, vroeg ik; ik was zéker dat mijn ogen mijn bedrogen. “Ik vrees van wel...,” was Raymond zijn antwoord. We zagen enkele jongens, ongeveer de leeftijd van Micha, bovenop de trein lopen. Ondertussen deden ze hun best om de electriciteitsdraden te ontwijken. “Is dat trainsurfing?”, vroeg Raymond verbaasd. “Ik denk het ja,” zei ik, minstens even verbaasd om wat er op die trein gebeurde. “Ik denk dat we wel kunnen stellen dat Micha minder geluk had dan die gastjes daar bovenop tot nu gehad hebben...” Raymond knikte. Enkele uren later bevestigde de patholoog ons verhaal. Het was een ongeluk. Hij moet tegen een gloeiendhete electriciteitsdraad gekomen zijn, en vervolgens van de trein zijn afgevallen. Hij moet opslag dood geweest zijn.
Onze eerste salsa-les... Het was raar. Leuk wel, maar als ik de andere koppels dansten dus wel veel soepeler hè... De docent zei dat ook: “’t Zal komen omdat het jullie eerste les is, maar jullie zijn nog wat stijfjes... Als jullie deze week thuis nog wat oefenen, zal dat de volgende les al een pak minder zijn.” Dominique nam het advies héél serieus. Elke dag ging tijdens het koken de stereo aan. “Allez, Wilfried, komaan,” zei hij dan, “dansen!” Hij zegt het nu ook, dus ik moet jullie laten. Tot volgende week!
Toffe groeten,
Wilfried.
(©June, 20/10/06)
|