Weekend
- Hey...,
-
- week·end
(het ~)
- 1
periode van vrijdagavond tot maandagmorgen, waarin men vrij is van school of
werk => weekeinde
-
- …, of: periode waarin Dorien De Bondt
dénkt dat ze vrij is van school.
-
- ‘Dorien, zou je niet eens gaan
leren?’
- ‘Nee mama, er valt niets te leren.’
- ‘Nee?’
- ‘Nee.’
- ‘Er is vast nog wel iets dat je alvast
kan doen, voor volgende week bijvoorbeeld.’
- ‘Zeg! Ik mag niet eens even weekend
houden ofwa?’
- ‘Niet als je cijfers zo laag zijn,
nee.’
- ‘En ik mag ook niet even een
halfuurtje gewoon zitten, even ontspannen?’
- Ze zuchtte. ‘Dorien, ik zou graag
hebben dat je weer je best gaat doen voor een degelijk rapport. Desnoods
vraag je aan Simon…’
- ‘Simon kan de pot op. En stóp met uw
gezaag!’
- Opnieuw een zucht. Ik zag dat ze geïrriteerd
raakte. ‘Dorien…, ik wil dat je naar je kamer gaat en aan je huiswerk
begint. Binnenkort zijn ’t examens, daar kun je nu alvast wat voor
leren.’ Ik keek haar kwaad aan. ‘Niks van.’ Ze stond op van haar zetel
en kwam voor mij staan. ‘Nú, Dorien,’ zei ze dwingend. Ik keek haar
strak aan. ‘Ik ga al. Ik wil niet in de buurt zijn van zo’n chagrijn.’
Zonder nog iets te zeggen stampte ik naar mijn kamer.
-
- week·end·dienst
(de ~ (m.))
- 1
dienst van artsen, militairen enz. tijdens het weekend
-
- …, of: periode tijdens het weekend
waarin Dorien De Bondt haar huiswerk moet maken.
-
- Ik dus braafjes aan mijn huiswerk.
Samenvattingen voor geschiedenis, die we pas over twee weken moeten kunnen
laten zien… Zucht… Voor alle zekerheid heb ik alle breekbare spullen
maar even onder mijn bed gelegd, zodat ik geen spijt zou krijgen als ik iets
stuk zou gooien.
-
- Toen ik klaar was met geschiedenis, ben
ik doorgegaan met Nederlands. Definities opzoeken in het woordenboek,
gezellig. Gelukkig hebben ze zoiets als een online woordenboek, waardoor ik
enkel Internet moest aanslingeren in plaats van opstaan om mijn woordenboek
te pakken. Ik besloot ineens msn maar aan te slingeren. ‘Klikklikklik…
… Niks?’ Na minstens twee minuten proberen, bedacht ik me dat er maar
één oorzaak kon zijn voor het feit dat het internet het niet deed. ‘Mamaaaaaaaaaaaaa!’
Ik spurtte naar beneden om eens te informeren waarom Internet het niet deed.
‘Zodat je niet afgeleidt wordt.’
- ‘Op deze manier wordt ik júist
afgeleid. Ik moet een hele hoop dingen opzoeken op het Internet. En
bovendien, ik wil even een paar minuten iets anders doen. Ik word gek van
alléén huiswerk.’
- ‘Wel, ga dan maar kuisen, dan doe je
ook iets anders.’
-
- week·end·straf
(de ~)
- 1
straf waarbij men de weekenden in de gevangenis doorbrengt
-
- …, of: straf waarbij Dorien De Bondt
haar weekend mee vult in Gevangenis Mama, terwijl ze beter haar huiswerk zou
maken.
-
- Zúcht. Ik kuis nóóit meer de wc!
-
- week·end·re·tour
(het ~)
- 1
speciaal treinkaartje voor reizigers in bezit van een voordeelurenkaart voor
een heenreis vanaf vrijdagavond 7 uur en een terugreis voor zondagavond 12
uur
-
- …, of: speciaal gegeven waaruit blijkt
dat het weekend na de vijf dagen van de week weer terugkeert, en de
marteling voor Dorien De Bondt voorlopig nog niet voorbij is.
-
- Nu
weet ik zeker wat er schort
- ’t
Weekend is veel te kort
-
- Aiaiai…
-
- Dorien.
-
- (©June, 05/10/07)
-
|