Zeg maar niks

Hey,
 
‘Michiels…’ Ze humde een paar keer. Hoewel ik niets aan haar kon merken, had ik het gevoel dat het ernstig was. Ik vreesde voor de woorden…
‘Ik kom eraan.’
Nog voor ze had opgehangen, raapte ik alle kaarten bij elkaar. Ze zuchtte, ze wist dat ze beter niets zei op zo’n moment. Alles was immers verkeerd.
 
 
‘Het spijt me’: menen doet ze het toch niet, aangezien ze toch schandalig aan het verliezen was. Ze kan niet pokeren. Het is dat we een doos met fiches hebben en niet voor echt geld spelen, anders was ze elke keer blut geweest.
 
‘We zullen later verder spelen’: op de zeldzame momenten dat ik géén huiswerk van haar moet maken; in de huidige situatie wil dat zeggen dat het nog wel een tijdje kan duren voordat we ook daadwerkelijk weer verder spelen. Voor zover dat ze ’t meent, dus.
 
‘Ik moet weg’: hoeft ze niet te zeggen, want dat wist ik al toen ze begon te hummen.
 
‘Ik weet niet hoe laat ik thuis ben’: dát had ik ook al begrepen. Ik heb haar namelijk al aan haar verstand kunnen brengen dat ze best geen beloftes maakte over het tijdstip waarop ze thuis zou zijn.
 
‘Het zal laat worden’: wat is laat? Voor mij is dat rond etenstijd, voor haar na middernacht of pas de volgende dag rond etenstijd.
 
‘Zeg tegen Johan dat ik ‘m nog bel’: lekker belangrijk.
 
‘Eet iets fatsoenlijks straks’: de boterhammen met jam komen inderdaad mijn neus uit. Dan maar frietjes.
 
‘Slaapwel voor straks’: nee, precies alsof dat gaat lukken als ik me de ergste en bloederigste rampscenario’s in mijn hoofd haal.
 
‘Niet te veel cola, anders kan je niet slapen’: zoals ik al zei, slapen doe ik toch niet.
 
‘Niet opendoen voor vreemden’: hoe weet ik of het een vreemde is? Dan moet ik eerst uit het raam gaan hangen en misschien houdt die verkrachtende inbreker daar wel rekening mee.
 
‘Bel als er iets is’: als die verkrachtende inbreker mij vermoord heeft zal ik dat zeker even doen.
 
‘Ik hou van je’: jaja, niet te klef…
 
Ze gaf me een zoen op mijn voorhoofd en aaide mij kort over mijn hoofd. ‘Nu heb je mooi tijd om te leren. Daag!’
 
Zu-húcht!
 
 
‘Jij doet ook niet wat men van je verwacht.’
 
‘Ik zat vastgeplakt aan mijn stoel…’
 
‘Simon heeft mij vastgeplakt aan mijn stoel…’
 
‘Mijn boeken waren verdwenen, maar ik heb de goochelaar van twee deuren verder even gebeld, en die heeft ze teruggetoverd. Hij is pas net weg.’
 
‘Mijn koe moest bevallen.’
 
 
Jaa, dat gaat ze zeker geloven… Zúcht.
 
Dorien.
 
(©June, 08/11/07)
 
 

Vorige Start Omhoog Volgende
* ©©©©© Alles op deze site is Copyright van de eigenaar en mag dus nergens anders geplaatst worden ©©©©©

*