Saved by the bell, ofzo
Hallo iedereen,
Zucht. Ik weet niet meer wat ik moet doen. Dominique sluit zich af, voor mij, voor zijn familie, voor iedereen. Hij heeft gebeld naar zijn werk dat ze voorlopig niet op hem moeten rekenen en aangezien dat niet van zijn gewoonte is, hangt er om de haverklap iemand van het hotel aan de lijn. Op een gegeven moment heb ik de telefoon maar uitgezet. Dominique kon het niets schelen; alles wat hij kon zeggen was als er iemand belde, en dat waren dan alleen de woorden ‘ik ben er niet’.
Gisterochtend heb ik hem daarop aangesproken. Ik zei hem dat ik het zat ben dat hij zichtbaar ergens mee zit, maar dat hij er niet over wil praten. Het maakt hem niet uit wat ik zeg of doe, hij rept er geen woord over. Ik heb dan maar voorzichtig het woord ‘dokter’ (in de vorm van ‘iemand’), met daaraan toegevoegd dat praten meestal wel deugd doet. ‘Dan moet je het in ieder geval niet in je eentje dragen, dat zal waarschijnlijk wel een opluchting zijn…’ Maar zijn enige reactie was een lege blik, langs mij heen.
‘Dominique… Ik vind het belangrijk om te praten, zeker als je met iets zit. En ik voel dat je ergens mee zit, ik zie het. Je eet nauwelijks, je drinkt nauwelijks, je doet niets, afgezien van staren naar de tv en slapen… Ik mis u, Dominique. Ik mis de man waar ik mee getrouwd ben en waar ik zielsveel van hou. Die man had me misschien al lang verteld wat er aan de hand is, en als het niet tegen mij is, dan wel tegen een dokter of zoiets. Maar dit absoluut niet. Dominique… Ik wil je helpen…, maar geef mij Godverdomme de kans…!’
De tranen stonden inmiddels in zijn ogen. ‘Ik ben al naar een dokter geweest…,’ fluisterde hij. Ik had al naar adem gehapt om te antwoorden, toen mijn gsm begon te rinkelen. Op de display zag ik dat het Raymond was die belde. Hij wist dat ik moest opnemen, ik ook. Ik draaide mij om, nam op en ging al hummend aan een plant frunniken. ‘Oké, ik kom eraan.’ Toen ik mij terug omdraaide, was Dominique al weer weg. Ik zuchtte en besloot om me maar direct op mijn werk te storten. Er was een lijk gevonden op een basketbalveldje.
‘En? Weet je al iets?’, vroeg ik aan Raymond toen ik was aangekomen. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nauwelijks. Het labo is nu met hem en het veldje bezig, maar vooralsnog geen resultaten.’
‘Ook geen ID?’
‘Helemaal niks. Je zult het zo wel zien.’
We liepen naar de afbakening, waar ik direct zag wat Raymond bedoelde. Op het verharde veldje lag het gevonden lijk, volledig naakt en in een plas bloed. ‘We kunnen wel alvast de persoon verhoren die hem heeft gevonden. Tenminste, als ‘ie inmiddels in staat is om iets te zeggen. Toen ik aankwam kon hij alleen versuft voor zich uitstaren.’
‘Ik had hier wat verderop afgesproken met een paar vrienden, maar ik was wat vroeg. Ik ben dan maar een stukje gaan lopen, en toen zag ik hem daar zo liggen…’
‘En dan heeft u de hulpdiensten verwittigd?’
‘Ja. Ik durfde niet dichter bij te komen.’
‘Is u nog iets speciaals opgevallen?’, vroeg ik. ‘Heeft u iemand zien weglopen of een auto zien wegrijden?’
‘Nee, eigenlijk niet… Ik heb er ook niet speciaal op gelet ofzo…’ De man dacht even na. ‘Wat me wel is opgevallen is dat iemand daar de straat overstak met een grote afvalcontainer. Hij is zeker over het veldje gelopen, want de sporen van de wielen zijn er nog duidelijk zichtbaar.’
Toen we zijn gaan kijken, moesten we concluderen dat de container door de modder had gereden. We hebben het spoor gevolgd – eerst in de richting waar de man met container volgens de getuige vandaan kwam, daarna in de richting waar die man naartoe zou zijn gelopen. We kwamen uit bij een steegje; daar stond ook de container. Toen we die voorzichtig openden, zagen we overal bloed. ‘Bel jij die mannen van het labo? Dit willen ze vast wel zien…’
Nadat wij even kort waren gebrieft over het lichaam en de container volledig werd ingepakt en naar het labo werd vervoerd, belden wij aan bij de eigenaar van de container (het huisnummer stond immers met grote koeienletters op de container). Meneer zat volledig onder het bloed. ‘Uh… Wat kan ik voor jullie doen, heren?’, vroeg de man aarzelend. ‘Misschien kunt u met ons meekomen,’ zei ik, van binnen breed glimlachend. ‘Wij arresteren u op verdenking van moord. U mag naar buiten stappen.’
Op het commissariaat had Raymond mij even apart genomen. Waarom ik deze meneer direct meenam zonder bewijs. ‘Er is wél bewijs, Raymond,’ zei ik. ‘Zijn kleren zaten onder het bloed, dat heb je zelf gezien.’ Raymond zuchtte. ‘Op wat bloedvlekken kunnen wij ‘m niet vasthouden. Misschien was hij wel een varken aan het slachten in zijn keuken.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Zijn schoenen zaten vol met sporen van het blauwe gravel van het basketbalveldje. Én, op zijn armen zaten sporen van zelfbruiner; op sommige delen van het lichaam was de zelfbruiner juist weggeveegd.’ ‘Dan nog bewijst het niks,’ zei Raymond, ‘het kan ook gewoon toeval zijn.’
‘Het is sterk genoeg om meneer vast te houden én om een verklaring te ontfutselen.’
En ja hoor: we waren nog maar amper begonnen over zelfbruiner of de man begon al te praten. Het was een ongeluk, zei hij. Bij een ruzie had onze verdachte zijn minnaar door het raam geduwd. Hij is naar beneden gevallen en was op slag dood. De man heeft het glas verwijderd en zijn minnaar dan maar in de container gehesen om ergens te dumpen. De enige fout die hij maakte, was dat hij de container weer meenam zodat wij de sporen die er waren alleen maar moesten volgen – letterlijk deze keer. Case closed.
Het was toen een uur of zeven ’s avonds. Raymond wist niet hoe snel hij weg moest gaan, maar ik zag er enorm tegenop om naar huis te gaan. Net toen ik wilde opstaan om dan toch maar te vertrekken, ging mijn telefoon. Er was een auto in het kanaal gereden en er moest direct iemand ter plaatse gaan. Mijn blik ging richting de foto op mijn bureau. ’t Was een foto van een lachende Dominique met een lachende mij naast hem. Het was inmiddels al eventjes geleden dat ik hem nog eens echt heb zien lachen, en ik voelde mij er slecht bij. Ik wist wel dat vluchten geen zin had en het probleem waarschijnlijk alleen maar erger zou maken, maar ik wist even niet wat ik anders kon doen. Het zou me alleszins even doen vergeten wat er thuis gaande was.
‘Ik kom eraan.’
Wilfried.
(©June, 21/03/08)
|