Lift
Op een donkere donderdagavond rij ik door de stromende regen naar huis. De ruitenwissers doen hun uiterste best, maar kunnen niet beletten dat ik de weg voor me wat wazig zie. Zo nu en dan schiet er een bliksemflits langs de zwarte hemel, waarna de donder al gauw volgt.
Moe en nog wat suf van mijn werk blijf ik op de rechterrijstrook plakken, laat de anderen maar passeren met opspuitend water langs hun achterbanden. De radio, die zacht aan staat, komt nauwelijks boven de herrie van het weer uit.
Ineens zie ik een eind voor me, langs de kant van de weg, iets bewegen in het vage gele licht van een lantaarnpaal. En het is geen diertje, maar heeft menselijke vormen.
Ik ben niet iemand die graag lifters meeneemt, maar voor ik het doorheb ben ik al aan het afremmen. Ik zet zo snel mogelijk mijn auto op de vluchtstrook, rits mijn jas dicht, zet mijn capuchon op en stap uit.
Met een paar stappen ben ik dichtbij genoeg om te zien dat het een vrouw is. Ze zit op de grond en kennelijk lukt het haar maar slecht om overeind te komen. Ze draagt geen jas, is kletsnat en zit onder de modder, wat er extra dramatisch uitziet in het oranje licht van mijn waarschuwingslampen, de snelwegverlichting en soms een bliksemflits. Als ik nog dichterbij kom, kijkt ze me aan met een twijfelende blik, alsof ze me niet vertrouwt.
Ik vraag: “Wat is er gebeurd?”
“Ik ben gevallen,” is het antwoord meteen.
Ik zie aan haar gezicht dat ze liegt en in het schemerdonker probeer ik te zien wat er is. Ze heeft een flinke wond aan haar linker bovenbeen. Ik besluit er niet over door te zeuren. “Kom, ik breng je naar het ziekenhuis.”
Ze twijfelt even, maar steekt dan haar armen naar me uit. Ik hurk naast haar, manoeuvreer mijn linkerarm onder haar knieën en mijn rechter achter haar rug en til haar dan voorzichtig op. Ze klemt haar kaken op elkaar en haar gezicht vertrekt van pijn. Ze heeft een mooi gezicht, maar het is smerig en, net als de rest van haar lichaam voor zover ik dat kan zien, bedekt met blauwe plekken en een paar schaafwondjes. Heel voorzichtig draag ik haar naar mijn auto, laat haar een portier openen en leg haar op de achterbank. Dan ga ik zelf weer achter het stuur zitten.
De radio speelt nog steeds, maar ik ben nu niet meer in de stemming en zet hem uit. Ik zet mijn capuchon weer af, trek mijn jas uit, leg hem op de stoel naast me en kijk in mijn achteruitkijkspiegel naar mijn passagier. Ondanks dat het in de auto behaaglijk warm is, heeft ze zich helemaal opgekruld op de achterbank. Ik ben echt bezorgd over haar. De wonde aan haar been ziet er niet goed uit. Het bloedt behoorlijk en kennelijk ook al een tijdje: haar gerafelde spijkerbroek vertoont een flinke rode vlek om de wond heen, en de mouw die ze van haar T-shirt gescheurd heeft en tegen de wond gedrukt houdt, is helemaal doordrenkt met bloed.
Ze kijkt me defensief aan als ze merkt dat ik haar zo bestudeer, dus probeer ik de stilte te doorbreken met: “Waar moet je heen?”
“Gent”, antwoordt ze kortaf.
“Oh mooi, ik ook,” zeg ik niet helemaal van harte en ik draai me terug naar het stuur. Ik start de auto en met mijn mobiel bel ik het ziekenhuis in Gent alvast dat we eraan komen. Na het telefoontje valt er een ongemakkelijke stilte. Daarom vraag ik maar: “Wil je iemand bellen?”
Ze denkt even na en antwoordt dan: “Graag.”
Ik geef haar mijn mobiel en ze toetst een nummer in terwijl ik mijn gordel vastklik en de weg weer op draai. Het duurt maar heel kort tot er iemand opneemt, kennelijk wordt er op een telefoontje gewacht.
“Britt? Met mij.”
Aan de andere kant van de lijn wordt er kennelijk enthousiast gereageerd, want zelfs ik kan het horen. Na even wachten gaat mijn passagier verder: “Blaas de operatie af. Het is misgegaan.”
Ik trek mijn wenkbrauwen op, dit klinkt mysterieus. Maar ik zeg niets.
“In een auto. Ik word naar het Sint-Lucas vervoerd, een beenwond… Oké. Tot zo.”
Ze geeft me mijn mobiel terug. Ik kijk haar vragend aan via de achteruitkijkspiegel, maar ze zegt niets.
Als ik na even rijden weer naar haar kijk, zie ik dat ze zich optrekt aan de rugleuning van de achterbank om wat meer rechtop te gaan zitten. Ondanks de pijn en moeite die het haar zichtbaar kosten, lukt het haar. Ze kijkt door de achterruit en vraagt mij na een tijdje: “Wil je eens van baan veranderen?”
Ik ben verbaasd over dit verzoek, maar doe wat ze zegt. Misschien dat ze het gehang op de rechterbaan gewoon zat is. Ik schuif een rijstrook op naar links en ga wat harder rijden. De vrouw blijft geconcentreerd maar onopvallend uit het raam kijken en merkt na een tijdje op: “We worden gevolgd.”
“Pardon?”
“Niet omkijken, maar die zilvergrijze Volvo met getinte ramen rijdt al een tijdje achter ons, en die blauwe Ford blijft ook steeds in de buurt.”
Ik ben geschrokken van haar woorden, maar stel mezelf meteen gerust met de gedachte dat dit soort dingen alleen in films en in dromen gebeurt. Straks blijkt misschien wel dat de vrouw gek is en dat ze zich dingen inbeeldt. Daarom rij ik rustig verder.
De vrouw blijft om zich heen kijken en als ik nog een rijstrook naar links ga om iemand in te halen, zegt ze: “Nee, blijf op de middelste rijbaan. Ze hebben maar twee auto’s, zo kunnen ze ons niet insluiten.”
Ik frons mijn wenkbrauwen, maar voeg weer netjes in op de middelste van de drie rijstroken. We komen langs een bordje, nog 31 kilometer naar Gent. Nog even volhouden dus. Gelukkig wordt de regen minder en drijft het onweer over, dat maakt de situatie tenminste wat minder zoals in een tweederangs film. Ondanks mijn ongeloof hou ik voorzichtig de positie van de twee genoemde auto’s in de gaten via mijn spiegels. Op een gegeven moment komen ze langzaam dichterbij. Ik heb het gezien en mijn passagier ook. Ik zie dat ze zich schrap zet en ineens zegt ze: “De vluchtstrook.”
Ik schud mijn hoofd. “O nee. Dat is verboden en gevaarlijk bovendien.”
Haar stem klinkt ineens dwingend: “De vluchtstrook op.”
Ik probeer mijn ademhaling en gedachten onder controle te houden en reageer er maar niet op. Tot ik ineens iets hards tegen mijn hoofd voel. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie een glimmende Glock in de handen van de vrouw, met de loop tegen mijn hoofd. Nog één keer herhaalt ze: “De vluchtstrook op. Nu!”
Zo gauw ik een gaatje zie tussen de auto’s op de rechterbaan, gooi ik het stuur om en schuif in één keer twee rijstroken op, tot we op de vluchtstrook zitten. Door de schrik en het natte wegdek slipt de auto een beetje, maar ik weet hem zonder ongelukken in de goede baan te krijgen. Meteen geef ik flink gas.
De vrouw steekt haar pistool weer weg in de achterkant van haar spijkerbroek en zegt zachter: “Sorry. Maar je moet doen wat ik zeg, anders gaat het mis.”
Even denk ik nog dat ze het heeft over haar eigen pistool, maar zelfs voordat ik in mijn zijspiegels kijk, weet ik al dat beide verdachte auto’s ons volgen, ook de vluchtstrook op. Een heel bang gevoel bekruipt me. “Wie zijn die mensen? En wie ben jij eigenlijk!?”
Ze kijkt me aan via de spiegel, met glanzend blauwe ogen in haar vieze gezicht. “Ik ben Tony. En jij?”
“Peter,” antwoord ik warrig, “maar dat bedoel ik niet.”
“Meer hoef je niet te weten.”
“Maar… maar een achtervolging enzo, ik neem aan dat dit iets is tussen politie en criminelen. Welke van de twee ben jij?”
“Maakt dat uit? Wat heb je liever: een gevaarlijke, gewapende crimineel in de auto en politie om je heen of een gewapende agent in je auto en gevaarlijke criminelen om je heen?”
Ik ril even en zucht: “Je hebt gelijk, laat maar.”
Ze glimlacht eventjes, ondanks de pijn en spanning, en kijkt dan weer geconcentreerd uit het raam.
Na even zegt ze: “Geef me je gsm.” Het klinkt dwingend zonder bevelend te zijn, eerder een vriendelijk verzoek waarvan vaststaat dat ik het niet kan weigeren.
Zonder een moment te twijfelen geef ik haar het ding en luister naar het gesprek. Eerst belt ze, tot mijn verbazing, het ziekenhuis af. Maar ik zeg er maar niets van, wie weet waartoe ze in staat is.
Dan draait ze een ander nummer. “Britt? Ik ben het weer, ze zitten me op de hielen… Eh, geef me drie wagens met drie man elk. Oja, zijn Ben en Sel druk? … Precies, maar laat ze verschillende routes nemen. We willen nog niet te veel opvallen… Ja, dat zou mooi zijn, we rijden nu op de vluchtstrook en ik wil geen onschuldige slachtoffers maken… Zeg maar dat er werkzaamheden zijn ofzo, het maakt niet uit. Ik rij nu van Brussel richting Gent, nog zo’n vijfentwintig kilometer. Ik zorg ervoor dat we op de snelweg blijven… Oké, bedankt en tot zo.”
Tony hangt weer op en ik kijk vragend in de spiegel. Ze kijkt me aan en vat samen: “Er komt versterking en ze gaan proberen burgers van de snelweg af te krijgen.”
“Ik ben ook een burger!”
“Ja, behalve jou natuurlijk.”
Ik tril een beetje van de spanning, we rijden nog steeds met honderddertig op de vluchtstrook. Ineens zie ik een bordje ‘Uit’.
“Een afslag! We kunnen ze misschien ontvluchten.”
Tony antwoordt resoluut: “Nee, geen sprake van. Dit is misschien onze enige kans om ze te grijpen.”
Ik heb intussen geleerd te doen wat ze zegt en knik even dat ik het begrepen heb. “Maar de vluchtstrook is daar dus wel onderbroken.”
“Oja, shit. Naar links dan maar weer.”
“Naar…!? We zijn niet de enigen op de snelweg! De rechterbaan zit het volst en rijdt het langzaamst, daar kan ik nooit door zonder drastisch te remmen.”
“Jawel, dat kun je wel.”
Ik weet dat het geen zin heeft om in discussie te gaan en bovendien is daar niet genoeg tijd voor. Ik haal nog eens diep adem, doe in gedachten een schietgebedje en gooi dan precies op tijd het stuur om naar links terwijl ik ook wat afrem om in één keer twee banen verder op de middelste baan te komen, deze keer zonder te slippen. De chauffeurs om me heen schrikken zich een ongeluk en toeteren erop los, maar we hebben het gehaald.
Ik voel me een beetje als het kikkertje in het computerspel waarin een kikker een snelweg over moet steken zonder platgereden te worden. Dat lukt me maar één op de tien keer. Maar nu heb ik het eerste level uitgespeeld in het echt. Hopelijk is level twee niet zo eng als dit.
Tony legt bemoedigend een hand op mijn schouder. “Zie je wel.”
“Je wilde ze grijpen, je hebt mensen die de snelweg vrijmaken… je bent dus een flik.”
Ze glimlacht even. “Goedzo.”
“Ik wil wel eens met je baas praten als we hier nog uit komen.”
Het lachje is weer weg. “Ah komaan, niet doen. Je komt in de krant enzo, je krijgt echt wel alle credit.”
Ik laat het even rusten, maar ik ben blij dat ik ook een zwakke plek heb gevonden bij haar. “Daar komen ze weer. Wat willen ze toch van je? Waarom zouden boeven de politie achtervolgen?”
“Ik weet dingen die ze liever niet in de krant hebben.”
“Ze willen jou dood hebben!?”
“Of bang maken. Ik denk het laatste.” Ze denkt even na en fronst haar wenkbrauwen. “Ik hóóp het laatste…”
De Volvo is intussen half naast ons komen rijden. Ineens klinkt er een knal en Tony duikt in een reflex plat op de achterbank terwijl ze haar pistool grijpt. Ik trek mijn hoofd zo ver mogelijk terug tussen mijn schouders, maar ik moet op de weg blijven letten. Kennelijk heeft een crimineel als waarschuwing in de lucht geschoten, want er zijn geen tekenen dat er iemand geraakt is, maar er ontstaat wel een lichte chaos doordat de automobilisten in de buurt proberen snel weg te komen.
Tony komt half overeind, richt even en vuurt dan twee kogels af op de Volvo, dwars door het zijraam van mijn auto.
Ik roep: “Wat doe je nou!?”
“Maak je geen zorgen, ik zorg dat ik niemand raak. En dat raampje wordt vergoed.” Er komen twee kogels terug, ik hoor ze inslaan in het portier.
Ik kan een vloek niet onderdrukken, maar tegelijkertijd ben ik opgelucht, omdat de Volvo met getinte ramen vaart mindert en weer wat verder achter ons gaat rijden. “Waarom deden ze dat?”
“Ons waarschuwen, laten zien dat ze echte kogels hebben, de burgers wegjagen, het tempo opvoeren.”
“Het tempo van mijn hartslag ja! Terwijl jij hier zit te socializen met die gasten, krijg ik straks…”
Ze onderbreekt me resoluut: “Je denkt toch niet dat dit me niks doet? Ik ben geen James Bond, ik ben ook maar een simpele flik. Dit is misschien wel de grootste zaak in mijn hele carrière. Luister Peter, ik ben ook bang. Maar op dit moment heeft niemand er iets aan als ik ga panikeren. Nu kan niemand ons helpen, behalve wijzelf. Laten we daarom rustig blijven, samenwerken en er het beste van maken.”
Ik denk even na, knik en haal diep adem. Onwillekeurig kijk ik een moment over mijn schouder naar de wond aan haar been.
Ze volgt mijn blik en zegt: “Ze zullen jou niets doen zolang het lijkt alsof je alles onder dwang van mij doet. Vandaar ook dat pistool tegen je hoofd daarnet.”
“Ah, dus eigenlijk was dat juist om me te helpen,” breng ik een beetje sarcastisch uit. Tony glimlacht naar me via de spiegel en zo word ik eraan herinnerd hoe mooi ze eigenlijk is. Dat helpt me om het allemaal een beetje van me af te zetten, alsof het een film is en niet echt.
Na een tijdje gaat mijn mobiel over en Tony neemt zonder twijfelen op, alsof het ding van haar is. “Met Tony… Nee, die kan echt niet aan de telefoon komen nu… Ja, ik ben zijn vriendin.”
Ik trek mijn wenkbrauwen een eind op.
Tony ziet het en grijnst. “Oké, ik zal het hem zeggen. Daag.”
Ze hangt weer op en grinnikt: “Ene Remco, of je hem eens terug wilt bellen. Een vriend van jou?”
“Mwa, een collega.”
“Wat voor werk doe je eigenlijk?”
“Grafisch ontwerp voor computerspellen. Maar nu niet afdwalen: ben jij mijn vriendin?”
“Ja, hij vroeg wie ik was, ik kan toch moeilijk zeggen dat ik een gewapende flik ben en dat ik je aan het gijzelen ben? Ik heb het makkelijkste alternatief gekozen.”
Ik glimlach en schud mijn hoofd even. Ik mag haar wel op de één of andere manier, ongewapend en in veilige omstandigheden is ze vast een geweldige vrouw.
Niet veel later gaat mijn mobiel weer. “Met Tony… Ah Britt, ik ben blij dat jij het bent… Nee, laat maar. Hoe zit het met de versterking? … Mooi zo. Geef me even de signalementen.”
Ze buigt zich wat naar me toe en pakt een pen uit het bakje bij de versnellingspook. Daarmee krabbelt ze een lijstje op haar hand. “Oké… Ja, ik heb ze, bedankt. Onze achtervolgers zitten in een zilvergrijze Volvo met zwarte ramen en een blauwe Ford, ook geblindeerd. Die uit de Volvo hebben al geschoten, dus die zijn zeker gewapend. De anderen waarschijnlijk ook… Oké, doen we.”
Ze hangt weer op en kijkt naar mij. “Ik heb de signalementen van ‘onze’ voertuigen. Niet meteen kijken, maar het zijn de donkerrode Toyota linksvoor, drie auto’s hiervandaan, de zandkleurige Toyota rechts achter, ook drie auto’s hiervandaan, en een kleine grijze Daihatsu die een eind achter ons rijdt en nog niet zichtbaar, maar wel stand-by is. Verder hebben we twee motoren, die bij de Daihatsu rijden en in actie komen als wij het zeggen.”
“Dat klinkt geruststellend. Maar ze zouden ook de snelweg leeg maken, toch? Want ik neem aan dat ik hier niet gewoon rustig mijn afslag naar Gent-centrum mag nemen.”
“Nee helaas. Ze zijn volop bezig met afzetten, maar hier nog niet. Over een paar kilometer zijn we weer buiten Gent en daar is het intussen al rustiger geworden. Ah wacht… daar krijgen we al een afgesloten rijbaan.”
Ik tuur in de verte en zie inderdaad een rood kruis dichterbij komen. Ik stuur vast naar links en zoef zo de lege rijbaan op. Meteen trap ik ook het gaspedaal weer in en zie de snelheidsmeter klimmen naar honderdvijftig. De wind wappert door onze haren door het kapotte zijraam. “Dit rijdt lekker.”
Tony grinnikt. “In ieder mens schuilt een avonturier.”
Behalve de twee auto’s van onze achtervolgers en die van de flikken gaan er ook stiekem een paar burgerauto’s mee de afgesloten rijstrook op. Ineens klinkt er weer een harde knal.
Tony pakt mijn mobiel. “Britt, wat was dat? Wij zien niks vanaf hier… Oei. Ik hou ze bezig.”
Ze hangt weer op en vertelt mij: “De Volvo heeft een schot gelost op een burgerwagen, waarschijnlijk dachten ze dat het een van onze wagens was. Die mensen zijn zich rot geschrokken, maar geen gewonden.”
“Wacht. Wat betekent ‘ik hou ze bezig’ precies?”
Ze grijnst even naar me via de spiegel terwijl ze haar Glock pakt.
Ik knik. “Ja, zoiets verwachtte ik al wel.” Ik grijp mijn stuur stevig vast, trek mijn hoofd in en zet me schrap.
Vlak daarna vuurt Tony dwars door mijn achterruit een kogel af, die een gat in de carrosserie van de Volvo boort en een flinke ster in mijn ruit maakt. De criminelen schieten vervolgens een gat in mijn hoedenplank, niet ver van Tony, en mijn achterruit ligt nu echt aan diggelen.
Ik kijk even op de achterbank en zie Tony ineengedoken zitten. “Gaat het?”
Ze knikt even, maar ik zie aan haar gezicht dat ze pijn heeft. “Komaan Tony, volhouden. Als we hieruit komen, breng ik je meteen naar het ziekenhuis.”
“Nou, dat is even een opluchting…” Ze heeft duidelijk een hekel aan ziekenhuizen, maar ik ben blij dat ze nog kan lachen.
Na een paar kilometer wordt de tweede en niet veel verder ook de derde rijbaan afgesloten. Maar ik geef gas en net als de andere auto’s beuk ik zó door de obstakels heen. De burgerauto’s zijn na de schotenwisseling nogal geschrokken en bij de afslag uit de stoet verdwenen en dus blijven alleen de betrokkenen over: criminelen, flikken… en ik.
Mijn mobiel gaat weer. “Met Tony… Ja… Ja… Oké. Eerst schieten en dan doet Peter zijn trucje… Ja, dat is mijn chauffeur… Ja, dat kan hij wel. Hij is helemaal niet slecht… Oké, doe ik.”
Ik kijk gealarmeerd op. “Wát kan ik wel?”
“We gaan onze achtervolgers tot stilstand brengen. De motorrijders komen zo bij ons rijden, dan zullen zij, Britt en ik wat banden lek schieten. Waarschijnlijk doen die gasten dat dan ook meteen bij ons en zullen ze proberen weg te komen. Jij moet dat voorkomen. Ze mogen zo min mogelijk van onze banden raken en ze mogen zeker niet wegkomen.”
“Oké,” zeg ik kort.
“Echt?” Ze is er verbaasd van.
Ik glimlach even. “Ja, tegenstribbelen heeft geen zin zeker?”
Ze glimlacht nu terug en legt weer even haar hand op mijn schouder. “Goed afgericht.”
De motoren komen nu in zicht en ze gaan links en rechts van de Ford rijden, terwijl de zandkleurige Toyota zijn positie achter de Volvo inneemt. Met haar ene hand haalt Tony haar Glock uit de holster, met de andere ze pakt mijn mobiel weer, de verbinding is nog open.
“Oké, wij zijn er klaar voor… Mooi. Op mijn teken… NU!”
Er barsten van alle kanten schoten los. Tony schiet de drie overgebleven kogels uit haar magazijn af op de wielen van de Volvo terwijl ik de wagen zo recht mogelijk hou. Maar na het derde schot begin ik expres te slingeren, in de hoop dat de achtervolgers ons zo niet kunnen raken. Toch is er kennelijk een band geraakt, want de auto begint flink te hobbelen.
Tony roept over de herrie heen: “Gewoon doorrijden! Zij hebben zelf nog maar één goede band en rijden ook nog.” Ik knik, maar weet dat ze het niet ziet omdat ze haar wapen aan het herladen is.
Als de herrie weer verstomt op het geklapper van de lekke banden en het gespetter van het laatste restje regen na, komt de zandkleurige Toyota rechts naast ons rijden. De zijraampjes voor en achter gaan naar beneden, ik doe mijn raampjes ook open. Achter het stuur van de Toyota zit een vrouw van in de dertig met kort blond haar waarin een licht getinte zonnebril steekt. Naast haar zit een oudere man met weinig haar en achterin een vrouw met een licht grijzende, bruine vlecht. Ze zijn geen van drieën in uniform, maar ik weet dat het flikken zijn.
Tony glimlacht naar haar collega’s, haar donkere haren wapperend in de wind. Ik kijk even opzij naar de blonde vrouw. Zij glimlacht terug: “Jullie redden het nogal?”
“Makkie,” antwoord ik meteen, mijn stem een beetje bevend.
Ze lacht en kijkt dan naar mijn passagier. “Tony, alles oké? Gaat het nog?”
“Ik ben bang dat ik de bekleding hier serieus heb ondergebloed, maar nu gaat het wel weer. Het is een vleeswond, ik kan alles nog bewegen enzo.”
De vrouw achterin wijst naar mij. “Wie is hij?”
Tony kijkt even naar me en antwoordt dan: “Dat is Peter.”
“Geen flik, neem ik aan?”
“Nee. Hij is grafisch ontwerper voor computerspellen.”
“Mmm. Dan is hij vanaf nu een flik. We kunnen het ons niet veroorloven dat de buitenwereld erachter komt dat de politie burgers gijzelt.”
Ze geeft Tony twee kogelvrije vesten. “Raymond, ben jij gewapend?” De oudere man voorin knikt en doet zijn wapenriem af, waaraan een zilverkleurige, glimmende revolver hangt. Ik weet dat het een Smith&Wesson is omdat die ook regelmatig in games voorkomen, maar ik heb er nog nooit een in het echt gezien en had eigenlijk gehoopt dat zo te houden.
De vrouw achterin pakt de riem aan en geeft die ook aan Tony. Die trekt het ene vest aan en helpt mij om het andere aan te trekken terwijl ik ook probeer de wagen recht te houden. De riem legt ze op de stoel naast me. “Die is voor jou, voor noodgevallen.”
Ik werp een blik op het wapen, maar ondanks dat ik het in games zo stoer vind, ziet het er nu eerder dreigend uit. De blonde vrouw ziet mijn twijfels en zegt: “Hé, niet zo nerveus. Tot nu toe heb je het heel goed gedaan, een stuk beter dan de gemiddelde mens in elk geval. De risico’s zijn niet zo groot als ze lijken. Iedereen van ons zorgt ervoor dat er niets met je gebeurt. Weet je hoe je een wapen hanteert?”
“Mijn enige kennis op dat gebied komt uit computerspellen, ben ik bang.”
“Oei. Nou, we hebben geen tijd voor een spoedcursus, maar probeer dit te onthouden: je houdt het wapen in je rechterhand, met bijna gestrekte arm. Met je linkerarm ondersteun je die hand, dus niet met je wapen zwaaien ofzo. Richt op de grond als je niet op een doel aan het richten bent. Voordat je kunt schieten, moet je de veiligheidspal bovenop overhalen. Zet je een beetje schrap, want als je schiet, heb je een terugslag. Schiet alleen als het echt moet en als je direct bedreigd wordt. Oja, en je hebt maar zes kogels.”
Ik knik en herhaal de regels nog eens in gedachten. “Oké, begrepen.”
De man voorin, die kennelijk Raymond heet, onderbreekt het gesprek: “Hé, kijk eens achterom.”
De twee achtervolgende auto’s rijden nog steeds, ondanks de klapperende lekke banden, en er lijkt nu beweging in te komen. De Ford haalt de Volvo in en probeert om ons ook in te halen. Tony bepaalt: “Uit elkaar dan maar weer. Succes allemaal.”
De blonde vrouw haalt de zonnebril uit haar haar en zet hem op. Na nog een vriendschappelijk knikje naar mij geeft ze gas en scheurt weg om bij de Ford te blijven.
Tony gaat een beetje uit het raam hangen en maakt wat gebaren naar de motorrijders en de andere twee wagens van de politie achter ons. Eén motor en de andere Toyota gaan nu ook achter de Ford aan. Ik begrijp dat ik bij de Volvo in de buurt moet blijven. Tony trekt haar hoofd weer terug, pakt mijn mobiel en draait een nummer. “Pasmans, met hoeveel man zitten jullie daar? … Mooi zo. Plus Sel, Peter en mij maakt dat zes, dat moet genoeg zijn.”
Ik maak een klein rekensommetje en kijk in mijn zijspiegel naar de kleine grijze Daihatsu, verbaasd dat daar drie mensen in passen. Tony gaat verder: “Ik weet niet met hoeveel zij zijn vanwege die stomme zwarte ramen, maar meer dan zes kan nooit. Sel, hoor jij me ook? … Oké. Luister, we gaan het zo doen: Peter en ik zorgen ervoor dat de Volvo tot stilstand komt, jullie blijven aan weerszijden van de wagen. Als hij stopt, stappen we allemaal uit en zorgen dat we de situatie zo snel mogelijk onder controle hebben, maar blijf in de buurt van de wagens. Akkoord? … Oké, tijd voor actie.”
Ze hangt weer op en kijkt me via de spiegel aan. “Ben jij ook klaar?”
Ik haal diep adem om mijn zenuwen enigszins onder controle te krijgen, maar kijk dan zo stoer mogelijk en knik. “Ben jij de baas van deze bende?”
“Nee, dat is Nadine, onze commissaris. De vrouw die je net achterin zag zitten. Maar ik moest lokaas spelen en dus heb ik mijn voorwaarden gesteld: bij een actie heb ik de leiding.”
“Oké, baas. Zeg het maar.”
Ze laat haar leuke lachje weer zien. “Ga er maar vóór rijden.”
Ik kijk op mijn snelheidsmeter: honderdzeventig. Ik geef nog een flinke dot gas en het wijzertje kruipt verder, maar blijft op de tweehonderd hangen. De schaalverdeling gaat niet verder dan dat. Ik wijs er grijnzend op.
Tony ziet het en zegt: “En volgens mij zag ik daarnet ook een flits langs de kant van de weg…” Ik grinnik en de spanning is weer even gebroken.
Maar dan pakt Tony haar wapen weer en haalt de veiligheidspal over. Zo gauw we voor de Volvo rijden, draait ze zich om en richt in één beweging haar Glock op de gemaskerde bestuurder. “Stoppen! Nu!”
Maar die mannen zijn niet achterlijk en ze openen het vuur op onze auto. Ze richten niet op ons, het blijft bij waarschuwingsschoten. Maar het blijft doodeng.
Tony schiet terug, twee gaten in de motorkap en een kogel die rakelings tussen de inzittenden door suist, waardoor de voor- en achterruit van de Volvo, die al gebarsten waren, nu echt breken. Zo kunnen we eindelijk naar binnen kijken.
Ze roept naar mij: “Bel Pasmans, het zijn er vier.” Ik buig me in een onmogelijke houding om bij de achterbank te kunnen en het stuur intussen niet los te laten. Ik pak mijn mobiel, druk op de herhaalknop en roep over het lawaai heen: “Vier personen in de Volvo. Ik herhaal: vier personen.”
Ik meen ‘akkoord’ te horen, maar weet het niet zeker vanwege de herrie. Ik laat de verbinding open terwijl ik verder rij, de mobiel nog in mijn hand, omdat de handsfreeset niet over het lawaai heen zou komen.
De gemaskerde man die naast de bestuurder zit, richt ineens zijn uzi op Tony en schiet verder. Tony wordt in haar borst geraakt en valt achterover. We zijn ons allebei een ongeluk geschrokken, maar het kogelvrije vest heeft zijn werk goed gedaan.
Tony roept tegen mij: “Shit, nu is het menens!”
Zonder toestemming ofzo te vragen roep ik in de telefoon: “Ze richten op ons! Val ze aan!”
Ik hoor dat er vanuit de Daihatsu geschoten wordt. Er komen ook knallen van links, wat erop wijst dat de motorrijder ook schiet en kennelijk maar met één hand stuurt. Tony komt nu weer overeind en schakelt in één keer de schutter uit door een kogel in zijn schouder te jagen. De twee criminelen achterin zitten weggedoken achter de stoelen en zijn dus moeilijk te raken.
Tony duikt weer weg en twijfelt een moment. Dan roept ze naar mij: “Let op, ik ga ze laten stoppen. Blijf voor ze rijden en probeer ze in te klemmen.”
Voordat ik haar ervan kan weerhouden, komt ze weer overeind en schiet de bestuurder van de Volvo in zijn arm. Hij schreeuwt en de wagen begint te slingeren. Kennelijk heeft hij noch het gas, noch de rem ingedrukt, want de auto remt langzaam af. Ik rem ook een beetje en als de Volvo een eind naar links zwenkt, ga ik rechts naast hem rijden. Voordat hij weer naar rechts kan, rij ik tegen hem aan en duw hem zo verder naar links.
Het geluid van staal dat tegen staal schuurt en indeukend blik is oorverdovend, vooral omdat het een hoge pieptoon veroorzaakt. De vonken vliegen er vanaf, maar langzaamaan gaan we steeds verder naar links. Dan gooi ik mijn stuur om en na een korte slippartij staat de Volvo met de linkervoorkant tegen, of beter gezegd, ín de vangrail en wij ervoor, dwars op de rijrichting, neus tegen de rail.
Ik laat me, hijgend en bezweet van de spanning, met mijn hoofd op het stuur zakken, maar Tony geeft me een duwtje en zegt: “Hé, we zijn nog niet klaar!”
Ik doe gewillig mijn portier open en voordat ik uitstap, doe ik de wapenriem met de Smith&Wesson om.
Tony leunt op mij bij het uitstappen. Gelukkig is het intussen definitief opgehouden met regenen, dat maakt de aanblik van het verwrongen staal en rokende banden wat minder mistroostig. Ook de drie mannen uit de Daihatsu stappen uit en de motorrijder loopt voorzichtig naar de Volvo toe. Het is ineens onwerkelijk stil na al die schoten en het langs elkaar schuren van de wagens. Iedereen houdt zijn geweer op de Volvo gericht en dus doe ik dat ook maar, zoals die vrouw me verteld heeft.
De twee mannen voorin de wagen hangen slapjes over het dashboard en de man en vrouw achterin liggen samen op de achterbank, waarschijnlijk omgevallen bij de botsing. Maar als de motorrijder dichtbij komt, komt de man achterin overeind en wil zijn wapen van de vloer van de auto pakken.
De motorrijder roept: “Uit de wagen komen en handen op het dak!”
De man kijkt even op en weet dat hij zijn uzi niet kan pakken zonder beschoten te worden. Daarom opent hij rustig het portier en stapt uit. Hij draait zich om en legt zijn handen netjes op het dak. Maar voordat iemand kan reageren, klinkt er een schot en zakt hij ineen. Naast me hoor ik Tony zacht vloeken.
De vrouw die naast hem zat heeft geschoten en roept: “Verrader!”
Meteen schiet ze verder en alle agenten duiken weg achter hun voertuigen. Tony en ik proberen het ook, maar wij gaan nou eenmaal niet zo snel vanwege Tony’s been, dus geven we het weer op en staan daar, met zijn tweeën, voor een wagen met drie gevaarlijke criminelen. Want de voorste twee mannen zijn intussen ook weer bij zinnen. Ze bloeden allebei nogal, de één aan zijn arm en de ander aan zijn schouder, waar Tony ze geraakt heeft, maar dat lijkt ze niet tegen te houden.
De vier andere agenten houden zich bezig met de vrouw, wij met de twee mannen. Tony richt haar wapen op de bestuurder en hij op haar, ik richt op zijn bijrijder en hij op mij. Zo staan en zitten we tegenover elkaar met geweren die op scherp staan.
Tony roept: “Wij kunnen schieten voordat jullie kogels ons raken. En we zullen raak schieten. Nul doden of vier, de keuze is aan jullie.”
De mannen bewegen niet, blijven eruitzien alsof ze ieder moment kunnen toeslaan. Het angstzweet loopt in een straaltje over mijn rug, maar ik probeer er rustig uit te blijven zien, alsof ik dit iedere dag doe.
Ineens krijg ik het idee dat de twee misdadigers dat misschien ook wel doen. Waar in dit dichtbevolkte land kun je nou rustig schietoefeningen doen zonder opgemerkt te worden? Misschien zijn deze twee ook wel groentjes. Dat idee geeft me een houvast en ook omdat ik het gevoel heb dat het allemaal toch al niet meer uitmaakt, dat mijn leven toch al in groot gevaar is, doe ik een stap naar voren. Tony laat me nu los en blijft zelfstandig staan.
Ik doe nog een stap. De bijrijder roept nu: “Geen centimeter verder!”, maar ik glimlach alleen even en doe nog een stap.
De man schiet niet en dus ga ik nog iets verder.
In mijn ooghoeken zie ik de vrouw uit de wagen gesleurd en geboeid worden. Er staan ook nog flikken achter ons, maar ze kunnen niets doen. Dit gaat tussen die mannen en Tony en mij.
Ik doe nog een stap en de man schreeuwt: “Laatste waarschuwing! Nog één beweging en ik jaag een kogel door je kop!”
“Ah, je wilde graag promoveren tot moordenaar? Schiet dan. Komaan, schiet dan!”
Ik doe nog een stap en ben nu nog maar ongeveer één meter bij de auto vandaan. Dan, plotseling, draait de bestuurder van de Volvo zich naar me toe en er klinken twee knallen, een fractie van een seconde na elkaar. Ik wankel even en val dan achterover, terwijl ik de bestuurder ook zie vallen. Ik hoor hoe de twee mannen ingerekend worden.
Even later verschijnt Tony’s gezicht boven het mijne. Ze wankelt een beetje, zie ik. Ze stelt me gerust: “Het is over. Kom, dan gaan we aan de kant van de weg op de ambulances wachten.”
Ik hijg nog een paar keer en krabbel dan overeind. Terwijl ik Tony ondersteun, lopen we samen voorzichtig naar de vangrail. Er komt een vrij jonge, maar grijze agent naar ons toe. “Gaat het?”
Tony glimlacht. “Jij was het die die vrouw overmeesterde, hè? Goed werk, Pasmans.”
Hij grijnst. “Bedankt.”
Ik informeer: “Heeft iemand al om ambulances gebeld?”
“Ja, er zijn er vier onderweg. En ik heb ook even met de rest van het team gebeld: de Ford zat volgens Britt vol watjes. Maar volgens Ben heeft Britt met haar meest ijzige stem een korte speech gehouden en zijn de drie inzittenden daarna met enige tegenzin uit zichzelf uit de wagen gekomen. In elk geval is de arrestatie relatief soepel verlopen en zitten de enige afgeschoten kogels in de carrosserie van de Ford. De arrestanten worden op dit moment in een combi en de wagen van de Federale naar het commissariaat vervoerd. Britt, John en Raymond zijn op weg terug hierheen voor de debriefing. Oja, en de pers heeft er ook lucht van gekregen. Kijk daar.” Hij wijst naar een plek achter ons. Tony en ik kijken om en inderdaad: aan de andere kant van de snelweg, op de vluchtstrook van de richting die niet afgesloten is, staan twee fotografen.
Al gauw komen de ambulances aan en wordt Tony door een broeder meegenomen. Ik loop met haar mee en kijk toe terwijl naar haar beenwond gekeken wordt. Intussen komt ook de zandkleurige Toyota met piepende remmen tot stilstand.
De blonde vrouw, die kennelijk Britt heet, springt eruit en komt naar ons toe. Ze schuift haar zonnebril weer in haar haar en vraagt bezorgd: “Wat is er gebeurd?”
Ik doe een kort verslag en haar ogen worden groot. “Wauw. En geen enkele gewonde aan onze kant?”
“Nee, behalve Tony dan.”
“Goddank hadden jullie die vesten.”
Ik kijk even naar mijn kogelvrije vest en de kogel die erin steekt, en dan naar Tony, die er ook één heeft.
Britt volgt mijn blik en schudt haar hoofd. “Wat een dag.”
Tony en ik glimlachen naar elkaar, we weten er alles van. En zomaar, spontaan omhelzen we elkaar. Tony zegt: “Ik wil wel eens vaker met je meerijden.”
“Je zult wel moeten. Ik heb nog een gunst tegoed.” Ze laat een zacht, vrolijk lachje horen en alles is weer goed.
Epiloog
Met een dampende mok koffie in mijn hand haal ik de post, die vandaag bestaat uit een krant en een grote envelop, van de mat en ga ermee aan de keukentafel zitten. Ik lees alvast de koppen op de voorpagina van de krant terwijl ik begin de envelop open te scheuren en ineens valt het me op dat het vandaag vrijdag is. Mijn blik glijdt naar de krant van vorige week vrijdag, die ingelijst aan de muur hangt. Een foto van Tony, Pasmans en mij, klein maar herkenbaar, aan de vangrail van de snelweg, met gehavende auto’s naast ons en nog wat politiemensen op de achtergrond. “Drugsbaronnen gearresteerd na wilde achtervolging,” kopt de krant. Verder wordt er honderduit geschreven over de achtervolging, maar nauwelijks over de drugszaak, en dus weet ook ik er praktisch niks van.
Na een moment voor me uit staren, richt ik mijn aandacht op de envelop, die ik nog steeds in mijn hand hou. Ik maak hem nieuwsgierig open en haal er een uitgeprinte foto uit: een foto die door een flitspaal gemaakt is. De foto is zwart-wit en niet van hoge kwaliteit, maar mijn auto –of nouja, mijn vorige auto dus- is duidelijk herkenbaar, zeker in z’n eentje op een leeg stukje snelweg en met een paar kapotte ruiten.
Er staat ook een regeltje tekst onder de foto. ‘Gemeten snelheid: 194 km/u; toegestane snelheid: 120 km/u; overtreding: 74 km/u; sanctie: minimaal 1 etentje met officier van gerechtelijke politie.’ Ik draai grinnikend de foto om en zie dat er op de achterkant met pen een telefoonnummer gekrabbeld is, met daaronder ‘je hebt nog een uitleg tegoed, T’.
Ze lacht naar me terwijl ze op krukken het commissariaat uit komt. Ik sta tegen mijn nieuwe auto geleund en open een portier voor haar. Ze is echt wel mooi, zo zonder modder en blauwe plekken is dat een stuk duidelijker zichtbaar. Haar been ziet er gelukkig ook stukken beter uit, ze heeft een wijde broek aan en aan de dikte van haar bovenbeen is te zien dat er verband of zoiets om zit.
Britt, de blonde vrouw uit de Toyota, loopt naast haar. Ik schud eerst haar de hand. Ze zegt: “Peter, goed om je weer te zien, levend en wel.”
“En jullie ook… wie weet hoe vaak jullie in dit soort gevaar zijn.”
Britt grinnikt. “Dat valt op zich mee hoor. We doen nu een bende tasjesdieven.”
Dan draai ik me naar Tony toe. Haar geef ik een klein kusje op haar wang, ik heb het gevoel dat ik zo close wel mag zijn met haar, we hebben samen toch niet niks meegemaakt. Bovendien zou het lastig zijn om haar hand te schudden vanwege haar krukken. Ze laat me doen en blijft glimlachen, kennelijk vindt ze het niet erg.
“Leuke auto,” merkt ze op. Ik vind het fijn om haar stem weer in het echt te horen, het klinkt stukken beter dan door de telefoon en brengt allerlei kleine herinneringen terug aan de achtervolging.
“Ja hè,” antwoord ik, “en dus ben ik van plan hem deze keer heel te houden.”
Ze tikt eventjes tegen haar Glock, die onopvallend bij haar heup onder haar blouse vandaan komt. “Ik zal mijn best doen, maar ik kan niks garanderen.”
Met een lachje help ik haar de auto in en leg haar krukken daarna in de kofferbak. Britt wuift nog even en draait zich dan om naar haar eigen auto.
“Kijk, het zat dus zo…”, begint Tony twijfelend terwijl ze haar laatste beetje rode wijn ronddraait in haar glas. Zonder iets te zeggen, gebaar ik of ik het glas bij zal vullen, maar ze slaat het aanbod af en laat haar glas nu gewoon staan.
“We waren bezig met een relatief kleine drugsbende. De bende was niet gevaarlijk, maar veroorzaakte nogal wat overlast in Gent. Genoeg reden dus om een onderzoek in te stellen, maar dat vorderde niet zo. Dat wil zeggen: we konden wel een paar straatdealers oppakken, maar dat lost het probleem maar zelden op. We wilden de bende oprollen en daarvoor moesten we proberen de leveranciers van de drugs te vinden. Maar intussen kwamen er nieuwe zaken binnen en we werden dat drugs-gedoe een beetje zat, het kostte veel tijd en leverde weinig op. Toch hebben volgens de beleidsplannen zaken die de burger overlast veroorzaken vaak voorrang, blabla, ‘de politie, uw beste vriend’ – je kent dat wel.”
Ik schiet in de lach om het verveelde gezicht van Tony, die ik me inderdaad niet kan voorstellen in uniform en met een onverstoorbare burgerlievende glimlach op haar gezicht. Ze grijnst even mee, maar gaat dan snel verder met haar verhaal.
“Enfin, er moest schot in de zaak komen. Daarom stelde ik voor om eens naar een paar verdachten toe te stappen, alleen, niet al te netjes gekleed, in burger. Even voorzichtig aankaarten dat ik wel geïnteresseerd zou zijn in wat drugs, kijken of er een mogelijkheid is om daar aan bewijs te komen, of het zin heeft om een klein beetje te infiltreren, kortom, gewoon eens wat rondkijken en uitproberen. Dat hadden we wel eens vaker gedaan, zeker bij zulke kleine bendes heeft dat nog wel eens succes. Dus ik nam een microfoontje mee, en voor de zekerheid had ik mijn wapen verstopt onder mijn kleren. Mijn collega’s zouden meeluisteren op het commissariaat, ik zou ze op de hoogte houden waar ik was, mocht er dan een actie nodig zijn dan zouden ze klaar staan.
“Ik reed naar een leegstaand pand in een slechte wijk waarvan we een sterk vermoeden hadden dat er gedeald werd. Ik parkeerde een paar straten verderop en sjokte toen richting het pand. Maar ik was nog maar een klein stukje op weg of er kwam me een auto tegemoet waarvan ik de nummerplaat herkende: het was een wagen die al eens genoemd was in deze drugszaak. Ik besloot om te keren en me terug te haasten naar mijn eigen auto, om de verdachte wagen te volgen.
“We reden een eind richting Brussel over de snelweg waar jij en ik later gereden hebben, sloegen toen af en na een hele reeks binnendoorweggetjes kwamen we in een bosachtige omgeving. Ik besloot dat het te opvallend zou zijn om ook daar nog met de auto te volgen, dus ik parkeerde de wagen en ging te voet verder het bos in. De verdachte auto verdween uit mijn zicht, maar na een eind lopen zag ik hem geparkeerd staan bij een klein betonnen gebouwtje, een soort elektriciteitshuisje maar dan groter en met kleine vierkante gaten in de muren bij wijze van ramen. Ik week af van het pad dat ik steeds gevolgd had en verborg me tussen de bomen, een eind bij het gebouwtje vandaan.
“Het werd intussen schemerig en een beetje koud zo zonder jas - want die had ik niet meegenomen, hoe vaak zie je een onguur type met een comfortabele, nieuwe winterjas lopen – dus ik wilde al bijna opgeven en weggaan, toen er nog een wagen aankwam: de blauwe Ford die jou en mij later volgde. Daar stapten nog een paar mannen uit, die ook het gebouwtje in gingen. Ik wilde weten wat daarbinnen gebeurde, maar vanaf deze afstand kon ik niets horen of zien. Daarom sloop ik voorzichtig dichterbij, tot op een paar meter van het gebouwtje. Vanaf daar kon ik zachtjes hun stemmen horen over het ruisen van de bladeren heen. Ze hadden het over een grote drugsdeal en ik besloot mijn microfoontje vlakbij een raam te leggen zodat de collega’s het gesprek tussen de mannen konden volgen.
“Ik sloop tot vlak tegen de muur, plaatste het microfoontje en wilde net weer teruggaan naar een veilige afstand toen er een derde wagen aankwam. Ik had geen tijd om onopvallend weg te komen, dus ik drukte me maar tegen de muur in de hoop dat ze me niet zouden opmerken. Ik zat namelijk tegen de muur aan de andere kant van het huisje ten opzichte van de derde wagen. Helaas voor mij reden ze tot vlak naast me. Ze zouden me zeker zien als ik bleef staan, dus ik probeerde de hoek om te sluipen naar een andere kant van het gebouw, maar het was te laat. Ik hoorde geroep en zette het op een lopen, maar al gauw klonken de eerste schoten. Ik was verdorie zelf ook gewapend, maar ik wist dat ik niets terug kon doen, alleen maar kon rennen voor wat ik waard was. Ze kwamen me achterna maar lagen ver achter. Op een gegeven moment zakte ik ineen doordat een kogel me in mijn bovenbeen geraakt had. Ik kon toch even niet opstaan en greep dan toch mijn wapen maar en loste een paar schoten. Maar dat haalde natuurlijk niets uit op zo’n afstand. Ik móest door, dus ik negeerde de pijn, krabbelde overeind en hinkte voort zo goed en zo kwaad als het ging. Toen begon het te regenen en al gauw werd de bosgrond een beetje modderig. Ik ben nog een keer gestruikeld en volop in de modder terecht gekomen, maar ook daarna ben ik verder gegaan. Ik hoorde de mannen verder achter raken, ze waren het dus aan het opgeven, dat gaf me hoop.
“Ik ben door blijven gaan, het bos uit, een modderig slootje door – maar dat gaf niet, ik was toch al nat en vies – en naar de kant van de snelweg. Daar ben ik toen ineen gezakt. De pijn in mijn been was steeds erger geworden en ik kón niet meer. Ik heb daar een poosje liggen uithijgen, heb een mouw van mijn shirt gehaald om tegen de wond te drukken… nouja, en de rest ken je, na een tijdje kwam jij me daar oppikken.”
Ik heb met steeds grotere verbazing zitten luisteren. “Wow, ik vond dat die achtervolging al behoorlijk heftig was… maar toen had jij er dus al een vuurgevecht op zitten.”
Ze knikt en is eventjes peinzend stil. Dan vervolgt ze, duidelijk minder gespannen dan tijdens het verslag van die bange momenten: “Bleek dus dat die hele bende maar een klein onderdeel was van een groter en gevaarlijker netwerk van criminelen. En niet alleen wij wisten daar niets van, maar ook binnen de bende waren maar weinig mensen op de hoogte. De bende was namelijk, net als nog een stel kleinere groepen verspreid door heel België, goed afgeschermd van de rest van het netwerk. Als dus zo’n ondergroep opgerold zou worden door de politie, zou er met het grote netwerk niets gebeuren. En bij een groot toeval hadden wij dus kennelijk net besloten die drugsbende op te rollen terwijl er een paar grote, internationaal geseinde bazen aanwezig zouden zijn. Vandaar dat ze zo schietgraag waren: ik had hun gesprek deels afgeluisterd en ik had een paar gezichten gezien, daarmee was ik een gevaar voor hen geworden. Daarom ook dat ze de moeite genomen hebben om de wagens te nemen en achter me aan te komen.”
“Maar hoe wisten ze dat ze mijn wagen moesten hebben?”
“Ze konden wel raden dat ik de snelweg gehaald zou hebben, ze wisten dus ook ongeveer wáár ik de snelweg opgekomen zou zijn… ze zullen wel eerst dat stuk weg afgezocht hebben en daarna in alle wagens gekeken hebben die ze inhaalden.”
Er valt nu een lange stilte, waarin voor mij allerlei puzzelstukjes op hun plaats vallen. Eindelijk snap ik hoe ze aan de kant van de snelweg terecht kwam, alleen, zonder vervoersmiddel, zonder jas, zonder gsm, maar mét vuurwapen en extra kogels. Maar hoe meer het allemaal in elkaar lijkt te passen, logisch lijkt te zijn, des te onwerkelijker lijkt het. En des te meer besef ik hoe ongelofelijk stom het was om me zo kwetsbaar op te stellen door tegenover een vuurgevaarlijke crimineel te gaan staan. Maar angst doet écht idiote dingen met een mens, dat blijkt maar weer.
Tony doorbreekt mijn enge gedachten door met zachte, warme stem te zeggen: “Zo, nu wil ik nog wel een glaasje wijn.”
Op het moment dat ik haar aankijk, besef ik waarom het allemaal gegaan is zoals het ging en waarom ik hier zit, levend en wel, zonder een schrammetje zelfs: ik had mijn beschermengel bij me. De gedachte aan Tony als engel doet me grijnzen en brengt me helemaal terug in het hier en nu. Zij houdt haar glas op, ik schenk het vol en samen brengen we een dronk uit. “Op het toeval,” stel ik voor.
Tony houdt haar hoofd een beetje scheef en kijkt me vragend aan, maar binnen een paar seconden zie ik die uitdrukking overgaan naar begrijpend, terwijl het ook tot haar doordringt wat een enorme rol het toeval eigenlijk in de hele boel gespeeld heeft, zowel negatief als positief, maar uiteindelijk zijn we er toch allemaal levend en wel uitgekomen, met één gevaarlijke groep mensen minder in het land. En met een lachje herhaalt ze: “Het toeval.”
Een kleine maand later komt er een gloednieuw actie/avontuurspel op de markt. De hoofdpersoon is een bloedmooie vrouw met halflang, glanzend bruin haar en lichtblauwe ogen, die een wapenriem met een glimmend zwarte Glock eraan losjes om haar heupen draagt en een heel speciaal lachje heeft…
|