Dominique


Langzaam liet ik mijn armen naar beneden zakken; ik kon ze onmogelijk langer tillen. Het zweet liep in straaltjes over mijn rug en ook mijn handen waren vochtig. Mede daardoor gleed het pistool dat ik tussen zijn handen geklemd hield, langzaam weg. Met een klap viel het op de kasseien. De rillingen gingen over mijn rug. Mijn hoofd bonkte. Ik sloot mijn ogen en wreef over mijn slapen. Even hoopte ik dat alles wat er gebeurt was, dat het tóch een droom was geweest, maar zodra ik mijn ogen weer opende, en weer hetzelfde plaatje voor mij zag als een paar tellen eerder, wist ik dat alles werkelijkheid was geweest. Ik had iets gedaan wat ik nooit zomaar zou doen, maar spijt…, dat had ik niet.

Beduusd keek ik naar het lichaam voor mij op de grond. Hoewel ik blij was dat deze nachtmerrie dit einde kende, en niet een ander waardoor ik er zelf slecht vanaf zou gekomen zijn, was ik toch niet volledig gelukkig met de situatie. Voor deze helse nachtmerrie begon, leefde ik in een droom, een mooie droom, en ik was nooit van plan geweest daaruit te ontwaken. Zonder reden was die droom uiteen gespat, en de persoon die dat op zijn geweten had, lag voor mij op de Gentse straatstenen dood te gaan.

Ik hoorde geschreeuw dichterbij komen, maar ik kon het niet thuisbrengen. Het leek zelfs alsof het geschreeuw in een taal was die ik niet verstond. Pas toen het vlak bij was, hoorde ik een voor mij overbekende zin: ‘Tegen de auto, armen en benen gespreid!’, maar ik kon mijzelf er niet toe zetten het bevel uit te voeren. Voor ik het wist werd ik tegen de grond geduwd. Ik voelde hoe koud metaal zich om mijn polsen sloot. ‘Opstaan,’ hoorde ik iemand zeggen. Ik gehoorzaamde, waarna ik richting een politieauto werd geduwd. Een portier ging open, ik ging zitten, en het portier ging weer dicht.

Tijdens de rit naar het commissariaat werd alles één grote waas. Ik kon mij amper herinneren waar ik was opgepakt, en hoelang de rit ongeveer geduurd had kon ik ook niet zeggen. Ik dacht terug aan de persoon voor wie ik dit allemaal gedaan had, aan de fijne tijd die we met elkaar hadden doorgebracht. Ik zuchtte; die tijd was veel te kort geweest. Alles wat we meegemaakt hadden, herinnerde ik mij alsof het net gebeurt was. Hoe we elkaar ontmoetten, elkaar vaker begonnen te zien, elkaar gráág begonnen te zien, …

Al snel zonk ik weg in mijn herinneringen aan hem, de dingen die we samen meemaakten, de goede en kwade dagen, alles kwam voorbij. Van zodra ik zijn naakte lijf voor mij zag, besefte ik dat mijn hersenen met mij aan het dollen waren. Maar ik wilde niet ontwaken, ik was veel te blij om zijn gezicht nog eens te zien, zijn warme lichaam nog eens tegen het mijne te voelen…

Maar zo’n intiem moment met mijn ventje…, het werd me niet gegund. Ik werd op een stoel gekwakt. ‘Zo…,’ zei de agent die tegenover mij kwam zitten, ‘vertel eens…’

***

Met piepende banden kwam de Jaguar tot stilstand. Het portier aan de passagierszijde ging open, waarna een jongeman uit de auto stapte. Hij sloot het portier en liep langs de voorkant van de wagen naar de kant van de bestuurder. Het raampje ging langzaam naam beneden. De jongeman boog zijn hoofd naar binnen, en na enkele seconden ging hij weer recht staan. ‘Ik zie u straks wel,’ zei hij, waarna het raampje van de Jaguar weer dichtging en de auto langzaam in de richting van het Belfort uit het zicht verdween. De jongeman had de auto nagekeken tot hij gefluit op de achtergrond hoorde. Hij keek omhoog en zag enkele mensen uit het open raam naar beneden kijken. ‘Hé Wilfried!’, schreeuwde er één lacherig, ‘Niet té opvallend hè!’ De jongeman grijnsde en liep het commissariaat binnen. Met een glimlach begroette hij de balieagente, waarna hij snel de trap op liep. Vlak voor de teamruimte hield hij halt bij de postbakjes. Uit die met de naamsticker ‘W. Pasmans’, haalde hij een heel pak enveloppen. Vervolgens stapte hij de teamruimte in. ‘Goeiemorgen iedereen,’ zei Wilfried enthousiast. ‘Ahh, goeiemorgen Wilfried,’ zei Raymond met een grote glimlach, ‘zo goed gezind, jongen? Het licht gezien?’ Wilfried glimlachte. ‘Zoiets ja,’ zei hij. Een korte stilte viel. ‘Moest jij niet naar het OPAC vandaag?’, vroeg Raymond, om de stilte te doorbreken, ‘College ofzo?’ Wilfried knikte. ‘Ik kom eigenlijk alleen even om nog wat papieren op te pikken. Dan ga ik direct door naar het OPAC.’ ‘En?’, grijnsde Michiel, ‘Zenuwachtig?’ Wilfried haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Neuh, eigenlijk niet. Het is niet de eerste keer dat ik zo’n college geef hè.’ Michiel zijn grijns verdween. Nu was híj het die zijn schouders ophaalde. Zonder nog iets te zeggen ging hij weer verder met waar hij mee bezig was. ‘Maar, Dominique heeft je weggebracht,’ merkte Raymond op, ‘hoe wil je dan op het OPAC geraken?’ ‘Hij heeft mij gisteren ook opgehaald,’ zei Wilfried, terwijl hij wat papieren uit één van de lades van zijn bureau haalde. ‘Mijn auto staat nog hier.’ 

Iets harder dan toegestaan reed de zilverkleurige BMW de staat door; met eigenlijk nog nét teveel snelheid draaide de auto een grote parking op. In één soepele beweging werd het voertuig geparkeerd in een parkeervak, vlak voor de ingang van het imposante gebouw waar de parking aan grensde. De auto was amper tot stilstand gekomen toen een van de portieren openvloog. Gehaast stapte Wilfried uit zijn auto, sloot deze en liep naar de ingang. Eenmaal binnen liep hij vluchtig door de lange gang voor zich. Halverwege de gang ging zijn gsm over. ‘Wilfried Pasmans,’ zei hij zacht. Hij zuchtte van zodra hij doorhad wie zich aan de andere kant van de lijn bevond. ‘Ik ben er bijna.’ Geërgerd verbrak hij de verbinding. Hij had zijn gsm nog maar net weggestopt, toen deze opnieuw afging. Opnieuw een diepe zucht. 

Op de display zag hij dat het Raymond was die belde. Hij besloot dat zijn collega maar even moest wachten, en drukte hem weg. Terwijl hij zijn gsm op stil zette, liep hij voorbij de klapdeuren een grote collegezaal binnen. Hij schraapte zijn keel. ‘Goeiemorgen iedereen,’ zei hij luid, om boven de luid pratende groep studenten uit te komen. Hij glimlachte tevreden toen hij merkte dat de groep direct stil werd. ‘Sorry dat ik zo laat ben, één of andere debiel vond het nodig om midden in ’t stad de lading van zijn vrachtwagen te verliezen…’

‘Dus dat is daar eigenlijk de bedoeling van...’ Er viel een stilte. Afwachtend keek hij de zaal in. ‘Zijn er nog andere vragen?’ Er kwam geen reactie. ‘Bon, dan is dit tevens het einde van mijn gastles. Bedankt voor jullie aandacht en succes met de examens volgende week...’ Hij vouwde zijn papieren op en gooide ze in de prullenbak achter hem. Vervolgens verliet hij met snelle tred de collegezaal. Hij was twee meter van de deur vandaan toen hij achter zich een stem hoorde. ‘Hoofdinspecteur?’ Wetende dat hij ongetwijfeld de enige aanwezige in zijn rang was, draaide hij zich om. ‘Ja?’ Hij keek in het vriendelijke gezicht van een jong meisje. Haar gezicht herkende hij van het college; ze had op de voorste rij gezeten en was zowat de enige geweest die zichtbaar geïnteresseerd had zitten luisteren. ‘Zeg het eens, juffrouw,’ zei Wilfried met een kleine glimlach. Zij glimlachte terug. ‘Niet om over te komen als een studiebol, maar ik wilde nog even zeggen dat ik uw college ongelofelijk interessant vond. En...’ Ze twijfelde zichtbaar; ze beet zachtjes op haar lip. ‘Ik zou het heel tof vinden moest u nog eens een college komen geven... Als u tijd hebt natuurlijk... Ik bedoel, als Hoofdinspecteur zult u het ongetwijfeld heel druk hebben... Euh... Nuja, weet u? Vergeet maar dat ik dit gezegd heb… Nogmaals merci voor het interessante college.’ ‘Da’s graag gedaan,’ glimlachte Wilfried, ‘en ik zal voorzichtig polsen of ik niet nog een keer kan terugkomen.’ Hij knipoogde. Het meisje glimlachte. ‘Ik kijk er alvast naar uit. Maar goed, ik zal u laten. Een prettige middag nog, Hoofdinspecteur.’ Na nog een glimlach draaide ze zich om en liep met haar medestudenten richting kantine. Wilfried liep de andere kant op, richting de uitgang. Terwijl hij op de parking zijn auto zocht, zette hij zijn gsm tegen zijn oor. ‘Raymond, ’t is Wilfried hè… Seg, ik ben nu pas klaar op het OPAC. Wat was het waar je me voor belde daarstraks?’ 
‘…’ 
‘Een moord?’ Hij mompelde nog een paar keer ‘godverdomme’ en ‘waar staat dat ding nu?’ over zijn auto, ondertussen zachtjes uhuh-end tegen Raymond. 
‘…’ 
‘Oké… Ik kom er nu aan.’ Terwijl hij de verbinding verbrak, richtte hij de kleine afstandsbediening in de richting van een zilvergrijze BMW, waarvan de koplampen begonnen te flikkeren. Hij zuchtte opgelucht. ‘Eindelijk…’ 

***

Terwijl ik richting de plaats delict reed, kwam er een onbehagelijk gevoel over mij. Ik had het idee dat er iets mis was. Raymond…, hij klonk zo raar aan de telefoon… Ik besloot me er maar geen zorgen om te maken, het was waarschijnlijk niets speciaals. Om mijn gedachten te verzetten, belde ik naar Dominique. Tot drie maal toe kreeg ik zijn voicemail, die ik uiteindelijk maar in sprak. ‘Dominique, ’t is ik hier hè. Ik bel eigenlijk alleen maar even om te zeggen dat het wel eens laat zou kunnen worden. Er is een nieuwe zaak en daar moet ik echt heen… Je ziet me wel verschijnen. Uhm…, tot straks dan maar. … En Dominique…? Het spijt me heel erg van vanochtend. Ik had nooit zo mogen uitvallen… … Ik zie u graag.’ 

Ik reed de parking van Ter Platen op en stopte vlakbij de afzetting. Terwijl ik mijn spullen bij elkaar zocht, zag ik via mijn ooghoeken dat Raymond op mij afkwam. Ik stapte uit en sloot mijn auto af. ‘Doe geen moeite,’ hoorde ik mijn collega zeggen, terwijl die wees naar het fluorescerende bandje dat ik eigenlijk net om mijn arm wilde doen. ‘Je gaat niet verder dan het lint.’ ‘Wablief?’, vroeg ik verbaasd. ‘Precies wat ik zeg, Wilfried,’ zei Raymond streng, ‘je gaat niet verder dan het lint. Je zit niet op deze zaak.’ ‘Uhh, Raymond,’ zei ik verbaasd, ‘ik mis even iets denk ik…’ Raymond zuchtte. ‘Luister,’ zei hij, ‘ik zal er niet omheen draaien. ’t Is Dominique.’ 

Ik keek hem verbaasd aan. ‘Dominique?’

‘Hij is dood.’

Die laatste woorden galmden door mijn hoofd. 

‘Dominique … dood.’

‘Dat kan niet,’ zei ik zacht, waarna ik begon te schreeuwen, ‘dát, kán, níet!’ Ik stormde in de richting van de plaats delict, voorbij de afzetting, richting het lichaam dat midden in de afgezette zone lag. Ergens halverwege kwam Raymond ineens voor mij staan. Hij omhelsde mij. ‘Het kan niet!’, bleef ik schreeuwen. Maar over mijn collega zijn schouder zag ik dat het wel kon. Ik herkende de kleren die hij die ochtend had aangetrokken, zijn bruine haar dat hij volledig tegen zijn gewoontes in niet eens gekamd had, zijn gezicht…, volledig onder het bloed. ‘Nee, ’t mag niet…,’ zei ik zacht, ‘het mag niet.’ Langzaam voelde ik tranen over mijn wangen glijden.

***

Ik zat wat voor me uit te staren, mijn ellebogen in mijn bovenbenen gedrukt. Zonder te beseffen hoe nutteloos het eigenlijk was, controleerde ik de muur tegenover mij op vlekken en oneffenheden. Dominique had de afgelopen maanden steeds gezeurd over het plafond en de muren van onze slaapkamer, dat ze eigenlijk toch weer eens geverfd moesten worden. Ik had diezelfde afgelopen maanden niet veel anders gedaan dan beloven om verf te kopen, al zag ik vaak geen aanleiding om iets opnieuw te schilderen. Maar hij was er zo op gebrand…

Plots gingen de rillingen over mijn rug. Hij zou nu ineens nóóit meer zeuren over het plafond, de muren, over verf. Maandenlang had ik me er met een zucht en een belofte uitgekletst, maar nu hoefde dat niet meer. Omdat iemand het nodig vond mijn ventje dood te schieten. Ik vroeg me af waarom. Waarom Dominique, en niet iemand anders? Dominique was immers de braafste mens die ik ooit gekend heb…

‘Wilfried?’

Ik herkende de stem van mijn partner. Hij kwam naast mij zitten en gaf mij een plastic bekertje met water. Ik keek opzij. ‘Wat zei De Jongh?’, vroeg ik zacht. ‘Nuja,’ zei Raymond, waarna hij zuchtte, ‘ze begreep je reactie, maar dat betekende volgens haar niet dat je nu wél mag meewerken aan het onderzoek. Ze wil je overigens ook laten verhoren… Ze vond dat de partner van een slachtoffer altijd de eerste verdachte is… Enfin, ze wil denk ik gewoon uitsluiten dat jij er iets mee te maken hebt.’ ‘Begrijpelijk…,’ zei ik zacht, terwijl ik het bekertje voorzichtig ronddraaide. Er viel een stilte. Het was overduidelijk dat we allebei niet wisten wat we moesten doen of zeggen. Plots stond ik op, dronk het bekertje leeg en gooide het in de vuilnisbak naast mij. ‘Je houdt me op de hoogte?’ Raymond knikte. ‘Oké,’ zei ik, ‘ik ben even weg. Dominique zijn ouders inlichten…’ Ik wachtte Raymond zijn reactie niet af; ik draaide mij om liep de gang uit. Ik zonk weg in de herinneringen aan Dominique.

Ik vroeg me af wat ik had gedaan als hij nog geleefd had.

Ik wilde net linksaf de gang richting de trap inlopen, toen ik iemand mijn naam hoorde roepen. ‘Wilfried!’ Ik draaide me terug om, en zag Cat mijn kant op komen. ‘Het Sint-Lucas voor jou aan de lijn, Mihriban Ates. Het is dringend.’ Ik fronste mijn wenkbrauwen. Mijzelf afvragend wat er dan op zo’n manier dringend kon zijn dat ík aan de telefoon moest komen, liep ik naar de teamruimte, en nam de telefoon die op Cat haar bureau naast het toestel lag. ‘Wilfried Pasmans…’
‘…’
Ik keek op mijn horloge. ‘Nu? Ik bedoel, ik moet nog…’
‘…’
‘Oké… Ik kom eraan…’ 

Met een diepe zucht liet ik de hoorn op het toestel vallen. Pas toen ik opkeek zag ik dat al mijn collega’s hadden staan luisteren, en aan hun gezichtsuitdrukkingen te zien wilden ze graag weten waar het gesprek over ging. ‘Of ik even wilde komen… ’t Gaat ongetwijfeld over de papierwinkel…’ Ik draaide mij om en liep de gang weer in.

Minstens een kwartier zat ik in mijn auto. Ook al liet Mihriban weten dat het dringend was, ik kon me er niet toe zetten om direct naar het ziekenhuis te rijden. Ik probeerde mijn hoofd leeg te maken, even mijn gevoel uit te schakelen, maar zodra mijn oog viel op mijn sleutelbos, op de sleutelhanger met zijn foto erin, voelde ik de tranen opkomen. 

Op de tast zocht ik in het dashboardkastje naar een pakje papieren zakdoekjes – ik zag door de tranen immers geen steek meer. Ik vond iets anders.

***

Gent – 14 mei 2008

Liefste,

Geen idee hoe het er gekomen is, precies alsof je ’t voorzien had… Een klein schrijfblokje en een balpen. Al zou het ook best kunnen… Ja. Je hebt ’t achtergelaten toen we laatst zo gehaast waren, voor het theater… Het is zo gek dat we zoiets nooit meer samen zullen meemaken.

Hier voor mij zie ik jouw foto, die van onze reis naar Thailand. Nog een geluk dat die foto het ooit gered heeft, want de camera was wel kapot. Maar we hebben wel lol gehad. Toen vond ik het al lang niet meer zo erg dat die dag midden in de nacht eindigde in het zwembad van ons hotel. ’t Feit dat je speciaal voor mij de beheerder van het hotel had omgekocht om ervoor te zorgen dat we het dak op konden zodat je mij überhaupt het zwembad in kon duwen, vond ik al zeer speciaal…

Jouw heerlijke glimlach komt op die foto mooi tot zijn recht. Ik hou van die foto.

Ik hou van jóu.

Ik weet niet wat er aan het gebeuren is. Ik voel me raar. Het is allemaal zo, zo..., onwennig. Normaal gesproken schoot jij direct uit de startblokken van zodra ik mij zorgen begon te maken over wat dan ook. Ik word al misselijk bij de gedachte dat je er misschien nog nooit aan gedacht hebt dat het op je drieëndertigste ineens over zou kunnen zijn. Financieel – want wat verdien ik nu eigenlijk? – maar vooral emotioneel. Er zijn zoveel dingen die ik nog wilde zeggen, zóveel… 

En nu… Ik kan praten tegen lucht, maar ik heb niet het gevoel dat ik daar iets mee opschiet. Ik wil het zeggen tegen jóu, en tegen jou alleen.

Ik wil jou.

Wilfried.

***

‘Hoe bedoel je in coma?’ De tranen stroomden over mijn wangen. ‘Het laatste wat ik weet is dat hij door de lijkschouwer dood verklaard is, en dan zou hij ineens weer springlevend zijn, máár wél nog even in coma liggen?’ Ik boog naar haar toe. ‘Leg ‘ns uit? Ik weet dat iemand kan leven en een paar tellen later ineens morsdood kan zijn, maar andersom? Nee.’ Ik sprong op en sloeg op het bureau. ‘Dít kán níet!’ BENG! ‘Ik klaag het ziekenhuis aan wegens psychologische mishandeling!’ 

Even bleef het stil. ‘En nu?’, vroeg Mihriban voorzichtig. ‘En nu…,’ herhaalde ik, ‘en nu wil ik hem zien.’ 
‘Dat kan niet, hij ligt nog in de OK…’
‘Ik wil hem zien!’, schreeuwde ik, ‘En wel nu! NU!’

Mihriban stond op en begeleidde mij naar de OK, naar Dominique. Mijn hersenen draaiden op volle toeren. Nochtans dacht ik niet aan heel veel, eigenlijk alleen aan Dominique. Ik hoorde Mihriban iets zeggen over hobbels in de weg. ‘Van hobbels gaat niemand dood, hè…,’ zei ik nog. Dat had haar de mond gesnoerd. Ze zette mij voor een raam, zodat ik de operatieruimte in kon kijken. De rillingen gingen over mijn rug. Ik zag niets waaraan ik kon zien dat het écht Dominique was; de persoon op de operatietafel was volledig bedekt met doeken, en er stond een heel leger aan dokters en verplegers rond zijn hoofd. ‘Hoe weet ik zeker dat…, dat hij het is?’, vroeg ik aan Mihriban, die naast mij was gaan staan. Ik keek haar aan. ‘Je hebt mijn woord,’ zei ze zacht. Ze zuchtte en legde haar hand op mijn arm. ‘Ik weet dat het nogal een rare situatie is, maar we hadden het zelf ook niet voorzien. Geloof mij, ik dacht dat zulke dingen enkel in films gebeurden…’ Een kleine glimlach. ‘De operatie is ongeveer halverwege nu… Je kunt misschien even naar huis gaan, hm? Je even opfrissen, schone kleren…’ Ik schudde mijn hoofd, en keek weer door het raam de operatieruimte in. ‘Ik wil hier blijven.’ 

***

‘Wilfried…?’



‘Wilfried…!’ 

Hij kreunde. Zijn lichaam deed zeer, hij kon zich amper bewegen. Zijn hoofd bonkte. De pijn werd steeds erger. Hij probeerde er tegen te vechten, maar hij had het idee dat het niet echt iets uithaalde.

‘Wilfried…!’

Hij voelde hoe iemand zijn hand vastnam. Het moest Wilfried zijn, zijn stem klonk immers ook dichtbij… ‘Ik zie je graag, weet je dat? Ik zie je immens graag.’ 

‘Wilfried…!’



‘Nee, laat mij niet los! Wilfried! Ik wil je bij mij hebben! Wilfried!’



‘Ik zie u ook graag…’

***

‘Raymond, ik heb hem gezien, met mijn eigen ogen.’ Wilfried zijn ogen blonken. Zijn partner schudde zijn hoofd. ‘Je hebt je ’t verbeeld.’ Nu schudde Wilfried zijn hoofd. ‘Nee Raymond, ’t was ‘m echt, en hij leeft. Hij leeft!’ Dat laatste zong hij bijna. ‘Kom!’ Hij trok Raymond mee naar een raam verderop in de gang. ‘Kijk.’ Hij hield zijn hand tegen het raam, terwijl zijn collega de ruimte in keek. ‘Jezus…’ Met open mond keek hij naar de persoon die halverwege de kamer op een bed lag. ‘Nee, Dominique,’ zei Wilfried volautomatisch. Raymond schudde verbaasd zijn hoofd. ‘Dit kán niet. … Hoe kan dit?’, vroeg hij aan zijn collega, die zijn schouders ophaalde.

‘Wilfried?’ 
Hij draaide zich in de richting waar het geluid vandaan kwam. ‘Wilfried!’ Hij zag hoe twee mensen op hem af kwamen lopen; hij herkende Dominique zijn ouders. Zijn moeder, Marie, vloog Wilfried huilend om zijn nek. ‘Wat is er toch gebeurd jongen?’ Wilfried haalde opnieuw zijn schouders op. ‘Ik weet het zelf amper…’

Mihriban kwam uit de kamer gelopen. ‘Wilfried, als je wil mag je even bij hem…’ Ze legde opnieuw haar hand op zijn arm. ‘Maar niet te lang.’ Ze wendde zich tot Dominique zijn ouders. ‘Gaat u maar, hm?’ Ze hield haar hand uitnodigend naar de deur. ‘Hou het rustig…’ 

***

Direct ging ik naast hem staan, en nam zijn hand. ‘Dag lief…,’ fluisterde ik, terwijl ik voorzichtig over zijn wang streelde. Het bleef even stil. ‘Hoe euh…, hoe staat hij er voor?’, vroeg ik aan Mihriban, die terug de kamer in was gekomen. ‘Wel…,’ begon ze, terwijl ze naar het voeteneind liep. ‘We hebben de kogel kunnen verwijderen uit de schedel, dat is het positieve kantje van het verhaal…’ Ik keek haar enigszins geschrokken aan. ‘Er is dus ook een negatief deel…’ Mihriban knikte voorzichtig. ‘De frontaalkwab van de hersenen is geraakt. Niet ernstig, maar ze is wel geraakt. Maar euhm…’ ‘Maar wat?’, vroeg ik direct. Mihriban zuchtte. ‘De frontaalkwab zit net achter het voorhoofd. Het speelt een rol bij emoties, sociale vaardigheden en expressieve taal. Daarnaast is dat deel van de hersenen bedoeld voor oordelen, redeneren, motiveren en het controleren van impulsen. Maar goed, mocht daar ineens iets mee schelen, zou dat niet een zéér grote ramp zijn, daar kan een mens mee leven. Maar waar ik eigenlijk ’t meeste voor vrees…’ Ze keek me aan; het zweet stond op haar voorhoofd. ‘Wat?’, vroeg ik. Mihriban zuchtte. ‘Zijn persoonlijkheid kan flink veranderd zijn als hij wakker wordt. Hij kan, bij wijze van spreken, een vollédig ander mens zijn. En er zijn nog wel dingen waar hij last van zou kunnen hebben of krijgen als hij uit die coma komt, maar dat kunnen we nu nog niet bepalen…’ Ze keek mij opnieuw aan, en weer ging haar hand naar mijn arm. ‘Wilfried, ’t spíjt me, écht waar.’

***

‘Maar nee, dat kan niet.’ Wilfried schudde zijn hoofd en keek zijn collega strak aan. ‘Dominique is de trouwste mens die ik ken, hij heeft écht geen dubbele agenda.’ ‘’t Zou nochtans veel duidelijkheid geven,’ zei Raymond voorzichtig, ‘allez, ik bedoel, dat het een mogelijk motief zou kunnen zijn. Bijvoorbeeld dat Dominique iets gedaan heeft waardoor hij vijanden heeft gemaakt, in plaats van vrienden.’ ‘Ge doet precies alsof Dominique lid is van de Italiaanse maffia,’ zei Wilfried geïrriteerd. Raymond haalde voorzichtig zijn schouders op. ‘Dat is misschien wat overdreven, maar misschien waren er inderdaad wel dingen die je niet direct aan hem zou linken.’ Wilfried zuchtte. ‘Nee Raymond, nee. Dominique had géén geheimen voor mij. Géén.’ Hij stormde de gang in; hij hoorde hoe Raymond hem achterna snelde, en hoe hij zuchtte. ‘Nuja, hoe dan ook, de zaak wordt gesloten. We kunnen niets meer doen.’ Wilfried stond stil bij zijn bureau. ‘Dat kan best zijn, maar ik heb nog steeds geen reden gehoord.’ Onrustig liep hij door de ruimte. Raymond zuchtte. ‘We hebben niks, dus we kunnen niks.’ Plots stopte Wilfried met lopen. De manier waarop hij stond, en de stilte die eraan vastgekleefd zat, verraadden dat hij niet gelukkig was. ‘Ik vraag me af of jullie er wel alles aan gedaan hebben,’ zei hij zacht, ‘Ik bedoel, er is nog niemand die de tijd genomen heeft om een verbaal op te maken. En ik snap best dat jullie het druk hebben, maar jullie nemen mij alles uit handen, omdat jullie vinden dat ik zielig ben.’ Hij draaide zich om en grijnsde flauwtjes. ‘Op de één of andere manier bén ik dat ook wel. Máár: ik ben niet op zo’n manier zielig dat ik ineens niks meer kan; geen koffie halen, geen verbalen tikken, geen arrestatie uitvoeren, en ga zo maar door. Ik ben niet gehandicapt!’ Hij keek zijn collega’s nijdig aan. ‘Ik zit al sinds de moordpoging, dat is dus al twee maand en een half, zonder werk. Ik moet niks doen, niks, en jullie maar klagen over het vele werk. Er is een reden hè, dat ik nog niet één dag vrij ben geweest, want ik wil niet thuis zitten, want álles thuis herinnert mij aan hém, en als ik niks om handen heb, denk ik altíjd aan hem, en dan wordt ik gek. Gek!’ Hij zuchtte. ‘Ik vind ’t verschrikkelijk om te zien dat jullie je concentreren op andere zaken omdat ze af moeten, stomme diefstallen en nog meer van die dingen waarvan we één op de vijftig keer misschien eens een dader vinden, terwijl zíjn zaak stééds maar weer onderop de stapel wordt geschoven. Dat doet píjn.’ Hij nam zijn jas. ‘Heel veel pijn,’ fluisterde hij, waarna hij de gang in liep.

‘Dag lieveke.’ Voorzichtig drukte hij een zoen op Dominique zijn wang. Met zijn hand ging hij door zijn bruine haren, om uiteindelijk met zijn duim bij het litteken op zijn voorhoofd uit te komen. ‘Ik vraag me af hoe het met je gaat, allez, hoe het écht met je gaat…’ Wantrouwig keek hij de kamer rond. ‘De dokters vertellen mij niets meer, enkel dat je nog altijd niet wakker bent, dat je dat voorlopig ook niet wordt en dat de kans steeds kleiner wordt dat ‘t überhaupt gaat gebeuren… Nuja, laat ik maar zeggen dat ze me niet veel hoop geven.’ ‘Er is ook niet veel hoopgevends te melden,’ zei een stem achter hem. Hij draaide zich om, en zag hoe Mihriban de kamerdeur dichtdeed en naar het bed gelopen kwam. ‘Het enige positieve is dat zijn toestand stabiel is, maar echt verbeteren doet het niet. Ik bedoel…’ Zonder te kijken, wees ze naar de apparatuur die naast het bed stond. ‘Er is nauwelijks tot geen hersenactiviteit, en…’ Ze onderbrak haar zin en keek langdurig naar het apparaat. Wilfried volgde haar blik, en kwam tot de conclusie dat er iets veranderd moest zijn. Hij begreep het niet. Volgens hem waren alle bliepjes en cijfertjes al die maanden ongeveer hetzelfde geweest. 

Verward nam Mihriban het klembord dat in het bakje aan het voeteneind van het bed zat, en bladerde door de papieren die er op geklemd zaten. ‘Dit kán helemaal niet…’ Ze legde het klembord op het nachtkastje naast het bed, sloeg de dekens van Dominique af, nam een pen en ging ermee over zijn voet. Wilfried zijn ogen gingen heen en weer van Mihriban, Dominique en het apparaat voor hem. Hij wist het niet zeker, maar dat er op één van de displays enkele cijfertjes veranderden, moest iets te maken hebben met de hersenactiviteit. Mogelijk had Dominique gereageerd op de truc met de pen. Zijn eigen hartslag schoot omhoog.

Hij keek rond. De deur stond open, en Mihriban was plots verdwenen. Hij snapte er niks meer van. Wat was er in Godsnaam aan de hand? ‘Snap jij er nog iets van?’, vroeg hij op fluistertoon, terwijl hij weer door Dominique zijn haren ging. ‘Ze vertellen mij hier niets….’ Hij hoorde twee druk met elkaar converserende stemmen dichterbij komen. Net toen hij weer richting de deur keek, zag hij Mihriban terug binnen komen, deze keer samen met een man. ‘Wilfried, dit is dokter Vanderputte, hij gaat Dominique ook even onderzoeken.’ Vluchtig schudden de twee mannen elkaar de hand. ‘Ik zou u alleen toch wel even willen vragen om buiten te wachten, ’t kan wel tijdje duren.’

Slechts een kwartier later kwamen ze naar buiten. ‘’t Spijt me Gerard, ik snap er niets van. Daarjuist reageerde hij nog op allerlei prikkels… Ik snap het niet...’ Vanderputte haalde zijn schouders op. ‘Laat ’t mij weten als de situatie veranderd.’ Mihriban knikte, waarna de dokter wegliep. Zonder dat hij daar toestemming voor had gekregen, liep Wilfried terug de kamer in. Zijn gezicht betrok. Hij snelde naar het bed. ‘Hebben ze u kou laten lijden?’, vroeg hij, terwijl hij de lakens weer over Dominique heen legde. Mihriban kwam ook weer bij het bed staan. ‘Ik snap er niets van… Hij reageerde helemaal nergens meer op…’ Ze bleef kijken naar de cijfers voor de hersenactiviteit. Wilfried haalde zijn schouders op. ‘Nuja, aan mij moet je helemaal niet vragen hoe het komt.’ Hij nam Dominique zijn hand vast. De blik van Mihriban verstarde. ‘Zag je dat?’ Wilfried keek verbaasd op. ‘Wat?’ Hij had het amper gevraagd of hij hoorde Mihriban de gang op gaan en meermaals om dokter Vanderputte roepen. In geen tijd stonden de twee dokters weer aan het bed. ‘Zou het kunnen dat Wilfried er iets mee te maken heeft?’, vroeg Mihriban, die nog nahijgde van haar sprintje, ‘Allez, dat Dominique op hém reageert?’ Vanderputte bestudeerde Wilfried aandachtig. Zijn blik bleef hangen bij de hand van Dominique, die Wilfried nog altijd vasthield. ‘Mag ik iets vragen?’, vroeg hij aan Wilfried, die knikte, ‘Hoe close bent u met meneer De Leeuw?’ Wilfried bleef even stil. ‘Zéér,’ fluisterde hij met moeite; hij kreeg een brok in zijn keel, en zijn ogen vulden zich met tranen. De dokter knikte. ‘Om antwoord te geven op uw vraag, dokter Ates,’ zei hij, waarna hij zich naar zijn collega draaide, ‘het zou zomaar kunnen.’ 

***

’t Was heerlijk om te horen dat hij misschien wel eens op míj zou kunnen reageren, en dat ik een belangrijke schakel zou vormen in zijn herstellingsproces. ‘Hij moet u écht wel graag zien,’ had Mihriban nog gezegd. Ik wist niet goed hoe ik mij daar bij moest voelen. Ik had ‘m de ochtend van de moordpoging nog staan uitschelden. En eigenlijk heb ik mij daar nooit voor geëxcuseerd. Ik had zijn voicemail dan wel ingesproken, maar dat had hij toch niet meer gehoord. Ik moest het hem zélf nog een keer gaan zeggen, zodat hij in ieder geval zou weten… Maar niet direct.

Ik zweefde het ziekenhuis uit, zocht mijn auto, en reed naar huis. Onderweg vroeg ik mezelf af hoelang ik dit nog zou volhouden. De afgelopen maanden had ik nog geen enkele zekerheid gekregen dat hij ooit nog uit zijn coma zou ontwaken; zijn toestand was al die tijd nagenoeg hetzelfde gebleven. Ik zou niet weten wat ik zonder hem zou moeten. Hij was al járen mijn ventje, de persoon op wie ik altijd kon bouwen en de enige met wie ik tot nu toe zo’n intieme band gehad had. Zo gek eigenlijk, want al tijden voor ik hem ontmoette had ik voor mezelf besloten dat ’t er voor mij gewoon niet in zat, een relatie, en een gezinnetje zéker niet, want ik had al vróeg door dat vrouwen mij niet interesseerden. Dat alles in één klap kon veranderen, had ik nooit durven vermoeden. Ik kwam Dominique tegen, en páts, alles werd omgegooid. Op een fijne manier zocht hij toenadering; hij was charmant, had het vermogen om véél te babbelen zonder dat de persoon die luisterde daar last van had, en wist tijdens dat babbelen op de juiste momenten de juiste dingen te zeggen en interesse te tonen. Om het kort te zeggen: hij was gewoon mijn type, in alle opzichten.

Ik was al maanden aan het twijfelen: ik zag die gast graag, en ik was van plan daar voorlopig nog niet mee op te houden. Al zovaak had ik einde aan de twijfels willen maken, al zovaak had ik voor de etalage gestaan… Twee zilverkleurige ringen, meesterlijk mooi, zo mooi dat ik na zeven keer voor die ramen gestaan te hebben, de zaak ben binnen gelopen en er twee heb besteld. Binnen twee weken kon ik ze ophalen. Maar zelfs na bijna een half jaar heb ik nog altijd de vraag niet durven stellen en zit het doosje met de ringen in mijn tas, wachtend op het perfecte moment… 

‘Wow!’

Ook voor mezelf redelijk onverwacht trapte ik op de rem. Ik nam mijn tas, haalde het doosje eruit en zag de twee glimmende ringen. Plots was er geen twijfel meer, ik wist wat me te doen stond. Ik zette het doosje naast mij neer en trapte op het gaspedaal. Na een vakkundige draai reed ik terug richting het ziekenhuis. 

Met enkel het doosje liep ik het ziekenhuis binnen, direct door naar zijn kamer. Deur open, deur dicht. ‘Dag lieveke… Hier ben ik nog eens.’ Ik liep naar hem toe en nam zijn hand. ‘Ik was onderweg naar huis en plots wist ik dat ik nog iets vergeten was.’ Ik streelde door zijn haren. ‘Ik euhm…, ik moet je iets vragen, en ik weet, ‘t is misschien niet ’t beste moment voor jou, maar ik zou ’t mezelf altijd kwalijk nemen als ik ’t nu niet zou vragen. Zeker als ’t helemaal misgaat, ik denk niet dat ik kan leven met de gedachte dat je bent gestorven zonder dat je weet dat ik je graag zie, dat ik voor de volle honderd procent voor je wil gaan, en dat ik soms wel eens dingen zeg waarvan ik later spijt heb…’ Zonder nog iets te zeggen nam ik het doosje uit mijn broekzak en haalde de twee ringen eruit. ‘Dominique, ik heb hier een ring, en ik hoop eigenlijk dat je die mooi vind, en dat ‘ie ook goed zit enzo. Ik euhm…’ Ik nam zijn hand extra stevig vast, en boog naar hem toe. ‘Lieve, lieve, liefste Dominique, zou je voor mij extra je best willen doen om te ontwaken, en dan, nadien, voor altijd van mij zijn? Zou jij mijn man willen worden? Hm?’ Ik drukte een zoen op zijn lippen. ‘Ik zal de ring om uw vinger doen, hm? Dan ben ik in ieder geval altijd een beetje bij je… En als je dan wakker wordt, laat mij dan iets weten.’ Ik schoof een ring om zijn rechter ringvinger, en daarna de ander om de míjne. Daarna drukte ik opnieuw een zoen op zijn lippen. ‘Ik zie u graag.’

***

‘Wat doet de onderzoeksrechter bij John?’ Verbaasd keek hij over de schouder van zijn collega naar de vrouw die in de teamruimte met zijn commissaris aan het praten was. Raymond zuchtte. ‘Ze komt het dossier ophalen.’ ‘Wablief?’, vroeg Wilfried luid. ‘Wilfried, luister…,’ probeerde Raymond in een poging zijn partner te kalmeren, maar Wilfried zijn woede had zich al een weg naar buiten gevonden. ‘Godverdomme!’, schreeuwde hij. Raymond weerhield zijn partner ervan om de teamruimte binnen te stormen en iedereen aanwezig verrot te schelden, door zijn hand op de arm van zijn collega te leggen. Het werkte. Hij kreeg Wilfried zijn aandacht. ‘Wat?’, vroeg hij geïrriteerd. ‘De zaak loopt dood, Wilfried, ’t is hopeloos. Er zijn geen aanwijzingen richting een dader, noch naar een mogelijk motief… We komen gewoon niet vooruit.’ Wilfried vocht tevergeefs tegen zijn tranen. ‘’t Mag niet…,’ fluisterde hij. Hij deed een paar stappen naar achteren, draaide zich om en liep weg.

***

Gent – 3 augustus 2008

Liefste,

Niet te geloven. Vandaag was een uitzonderlijk goede dag voor mij; jij die op mij zou reageren, ik die jou ten huwelijk vroeg… Mijn dag kon niet meer stuk. Enfin, dat dacht ik. Ik kwam op het commissariaat om ’t goede nieuws te vertellen over jou, maar ik ben er niet meer aan toe gekomen. 

De onderzoeksrechter is het dossier van jouw zaak komen ophalen. Raymond zegt dat hij en de collega’s er álles aan gedaan hebben om de zaak fatsoenlijk af te ronden, maar het heeft niet geholpen. Het dossier wordt nu érgens in de archieven gegooid, in de hoop dat er ooit iemand zal opstaan die er wel in slaagt om de persoon te vinden die jou heeft willen vermoorden. Toegegeven, ik denk niet dat die er komt.

’t Liefste zou ik ’t allemaal zelf doen. Maar ik mág niet. Te betrokken, te persoonlijk, te blabla. Eigenlijk weet ik het niet. Misschien is het maar beter zo, dat de zaak onopgelost blijft en dat jij en ik moeten voortleven met de gedachte dat ’t misschien opnieuw gebeurt, en dat je dan níet meer in leven geschud wordt door hobbels in de weg.

Normaal gesproken zou ik niet opgeven, blíjven zoeken tot ik het tuig dat tot zoiets in staat is, eigenhandig kan inrekenen. Maar ik weet niet of ik het wel durf. Want misschien heeft Raymond wel gelijk als hij zegt dat je een dubbele agenda had. Misschien was je zelfs wel lid van de Italiaanse maffia. En misschien… Misschien is het ook allemaal wel bullshit. Maar toch…, ’t blijft knagen.

Ik wil vechten voor u. Die schoft die jou een kogel in je hoofd geschoten heeft, die wil ik vinden, écht waar… Maar ik wil geen dingen over je te weten komen die mij zeer gaan doen. En ik schaam mij dood dat ik u niet vertrouw, ik schaam mij dóód, maar ik durf ’t gewoon niet, bang, dat ik een andere kant van jou tegen kom.

’t Spijt me.

Wilfried.

***

Gent – 19 augustus 2008

Liefste,

Er is vandaag iets geks gebeurt. 

***

‘… gelieve dit document zo spoedig mogelijk blablabla…, in ieder geval voor negenentwintig mei aanstaande…’ Hij zuchtte. ‘De hoeveelste was ’t ookweer?’ Raymond keek op. ‘De negentiende.’ Wilfried glimlachte opgelucht. ‘Ah, dat scheelt maar een paar dagen…’ Raymond grinnikte. ‘Augustus Wilfried, augustus. Je bent íets te laat met die brief te openen.’ Beteuterd keek Wilfried naar de brief. ‘En ze hebben niet gebeld ofzo?’ Raymond haalde zijn schouders op. ‘Hebben ze niet een herinnering opgestuurd?’ ‘Misschien…,’ zei Wilfried zacht. Het bleef even stil. ‘Enfin, ik zal deze brief apart leggen, misschien kom ik nog iets tegen.’ Raymond knikte. Hij opende de envelop die hij al een paar minuten in zijn handen had en haalde de inhoud eruit. ‘Een kaartje van uw zus,’ zei hij, waarna hij het kaartje opengeslagen toonde. ‘Zomaar.’ Wilfried grijnsde. ‘Dat doet ze dus altijd,’ zei hij, ‘kaartjes sturen. Ook als ze niks te vertellen heeft, om de zoveel tijd zit er een kaartje van haar in de bus. Eigenlijk wil ze daar mee zeggen dat ik haar weer eens moet bellen, en eens moet vragen hoe ’t gaat.’ Raymond legde het kaartje naast hem op tafel en ging verder met het openen van de enveloppen voor hem. Het was een hele tijd stil. ‘Wat heb je daar nog?’, vroeg Raymond. Wilfried schudde zijn hoofd en vouwde de brief dicht. ‘Niks bijzonders,’ zei hij, ‘rekening. De zoveelste die al betaald had moeten zijn.’

***

Hoezeer ik hem ook vertrouw, ik heb zelfs Raymond niet vertelt wat ik vond tussen die brieven. Ik vertel ’t jou, omdat het jou ook aangaat. 

Ik vond een brief van de moordenaar. 

***

Lochristi – 12 mei 2008

Wilfried,

Op het moment dat je dit leest, is het 14 mei 2008, rond een uur of elf in de ochtend. Je weet ’t nog niet, maar vandaag is de grote dag. Voor mij, maar zeker voor jou, wordt deze dag een dag om nooit te vergeten. Het is heel waarschijnlijk dat je er niet hetzelfde gevoel bij hebt als ik, maar dat zal geleidelijk wel veranderen. Want geloof mij: de pijn wordt minder.

Want vandaag is de dag dat Dominique vermoord wordt. En wel door mij. Je mag me uitschelden, opsluiten, vernederen, …, je mag álles met me doen. ’t Maakt me niet uit, zolang mijn missie maar slaagt.

Je komt er nog wel achter wie ik ben. En waarom ik dit doe.

De moordenaar van uw ventje.

***

Zelfs nu ik het nog eens over lees, begrijp ik er niets van. Er was dus echt iemand die jou wilde vermoorden; gelukkig voor ons is het niet gelukt… Maar ik krijg er meer en meer de kriebels van. ’t Feit dat die mens weet hoe ík heet, hoe jij heet, weet waar ik werk, weet waar gij naartoe gaat, en op welke plaats hij u dood kon schieten… Pff… Hopelijk kan ik die creep snel inrekenen…

Mán, wat ben ik blij dat ge er nog zijt.

Wilfried.

***

’s Nachts in bed kon ik de slaap niet vatten. De brief bleef maar door mijn kop spoken. Vooral het post scriptum dan. Wat dat stond er ook nog bij.

PS: Het pistool zit onder het bankje.

Dat stond er.

Ik voelde me misselijk worden en draaide mij op mijn zij. Met mijn linkerhand tastte ik in het donker naar de emmer die ik al had klaargezet. Ik vond de emmer niet. Ik voelde dat mijn maag omdraaide, dat ik alles zou beginnen uitspuwen wat ik de afgelopen uren had binnen gekregen, dus sprong ik uit bed en haastte ik mij naar de badkamer. Als een slappe vaatdoek zat ik voor de wc en hing ik met mijn hoofd boven de pot. Ik kotste mijn hele maag leeg.

Ik begreep ’t al lang niet meer. En volgens mij wilde ik dat ook niet. Ik wilde geen rekening houden met alle mogelijke redenen waarom iemand mijn Dominique dood zou willen hebben. Hij deed nooit een vlieg kwaad… Of was er toch dat dubbel leven? Verzweeg hij dat hij ergens een gezin heeft zitten, een job met een miljoenensalaris heeft en ondertussen allerlei louche zaken doet? 

Meer en meer begon ik te vrezen dat de man van wie ik zoveel hield, totaal iemand anders was, dat ik ‘m toch niet zo goed kende als ik dacht. Ik was bang dat mijn hele leven ineens één grote leugen zou blijken te zijn. Dat wilde ik niet. Maar de confrontatie aangaan met mijn leven, met de waarheid die ik altijd gekend heb… Ik durfde niet. Bang dat ik dingen te weten kom die ik helemaal niet te weten wíl komen.

Langzaam probeerde ik op te staan, ondertussen bepalend of mijn maag wel stabiel genoeg was om niet opnieuw leeg gekotst te worden. Zodra ik voelde dat ’t wel zou gaan, draaide ik mij om en keek recht in de spiegel. Ik schrok van wat ik zag. Grauwe huid, wallen, triestige blik… Zo had ik mezelf nog nooit gezien… Ik draaide de kraan open en wreef met wat water over mijn gezicht. Toen ik weer in de spiegel keek, gingen mijn ogen automatisch naar de douchecabine. Ik herinnerde mij hoe Dominique daar ooit eens gestaan had, met een uitdagende blik, of ik er niet bij wilde komen staan. ‘Dominique,’ had ik gezegd, even tussen het tandenpoetsen door, ‘ik moet gaan werken, en ik ben al laat.’ ‘Allez toe…,’ zei hij smekend. ‘Ik wil het graag. En het werk wacht wel.’ Voor ik het door had, stond hij al achter mij. Hij omhelsde mij met zijn natte armen, en ik voelde hoe ook mijn onderbroek aan de achterkant nat werd. Ik zuchtte. ‘Oké.’ Ik zag hem brutaal grijnzen. ‘En kom je er dan alleen maar onder stáán?’ Ik draaide mij om en grijnsde. Snel liet ik mijn onderbroek over mijn heupen naar beneden glijden, waarna ik bij hem onder de douche ging staan. 

Vermoeid bedekte ik mijn gezicht met de handdoek. Ik wist dat ik het niet kon maken tegenover hem om nu niks te ondernemen. Niet nu ik de brief gelezen had. De moordenaar leek zo dicht bij mij te staan, maar hoe dicht precies kon ik niet zeggen. Ik kon er mijn vinger gewoon niet op leggen.

PS: Het pistool zit onder het bankje.

‘Er stond daar maar één bankje…,’ zei ik hardop.

Snel deed mijn kleren aan en vertrok richting plaats delict.

***

Zijn gezicht werd lijkbleek.

Met weinig moeite maakte hij het pakketje los; ’t zat met plakband aan de onderkant van het bankje gekleefd. 

‘Ook aan het genieten van het mooie weer?’

Hij schrok zich wezenloos. Er stond iemand vlakbij hem, en die persoon mocht absoluut niet weten wat hij hier aan het doen was – een wapen onder een bankje vandaan halen, allez! Snel plakte hij het wapen weer terug en ging terug rechtop zitten, alsof zijn neus bloedde. Hij keek naar de kant waar de stem vandaan was gekomen en glimlachte. ‘Ja. Heerlijk zonnetje.’ 

Hij herkende het gezicht van de persoon die voor hem langs liep en naast hem kwam zitten. Het was een van de studenten aan wie hij enkele maanden eerder een college had gegeven, meerbepaald het meisje dat hem na afloop nog had aangesproken. ‘Hoe zijn de examens gegaan?’, vroeg hij zo geïnteresseerd mogelijk. Ze glimlachte. ‘Perfect. Enfin, ik ben er in ieder geval door. Er waren véél mensen die problemen hadden met het onderdeel Calamiteiten- en Rampenplanning.’ Wilfried grinnikte. ‘Mijn gastles heeft dus veel indruk gemaakt.’ Het meisje knikte. ‘Toch wel,’ zei ze, ‘alleen pas nadat bekend was dat bijna iedereen gebuisd was. Plots herinnerde iedereen zich weer waar de gastles over ging.’ Even bleef het stil. ‘Ik geloof dat ik mijzelf nog niet eens deftig heb voorgesteld,’ zei het meisje plots. Ze stak haar hand naar hem uit. ‘Amélie. Amélie Devriendt. Één woord, -dt.’ Wilfried schudde haar hand. ‘Wilfried Pasmans.’ Hij glimlachte. ‘Aangenaam.’

Einde eerste helft.

Vorige Start Omhoog Volgende
* ©©©©© Alles op deze site is Copyright van de eigenaar en mag dus nergens anders geplaatst worden ©©©©©

*