Dominique. (vervolg)

 

***

‘Raymond, kíjk dan.’ Hij zuchtte diep. ‘Heb ik u ooit al een leugen verteld?’ Raymond fronste zijn wenkbrauwen en ging op zijn knieën zitten om onder het zitgedeelte van het bankje te kunnen kijken. ‘Een Glock,’ zei hij, waarna hij opkeek, ‘En dan?’ Wilfried zuchtte opnieuw en ging op het bankje zitten. Hij hield een papier in zijn handen. ‘Lees maar,’ zei hij, waarna hij het aan zijn collega gaf. Raymond las de brief hardop. 

‘PS: Het pistool zit onder het bankje.’

Raymond keek nog een keer onder het zitvlak, waarna hij weer opstond. ‘Ik bel het labo.’

***

‘Oké, ik wil verschillende eenheden die in burger door de wijk patrouilleren. Misschien komt de moordenaar zijn wapen wel ophalen.’ John draaide zich om en keer naar zijn team. ‘En wat als hij dat niet doet?’ Michiel grinnikte. ‘Tja, dan lopen we daar voor Jan met de korte achternaam, hè Emma.’ Hij kreeg een stomp in zijn zij van Wilfried. ‘Dat zien we dan vanzelf wel, hè Emma,’ corrigeerde Michiel zichzelf. John knikte. ‘Bon, vertrek maar. Raymond en Emma te voet, Michiel en Cat met de fiets. Ik bel ondertussen met de onderzoeksrechter en het labo.’

‘Er zat kauwgom op de tape. ’t Labo heeft er DNA en een vingerafdruk van kunnen halen. De kauwgom was van een zekere Didier Vervecke. Hij was een verdachte in de zaak van een bankoverval vorig jaar, maar het is nooit bewezen dat hij die overval mee gepleegd heeft. Maar het is redelijk onwaarschijnlijk dat hij iets met de zaak te maken heeft. Ik bedoel, de kauwgom kan later onder de bank gekleefd zijn.’ Wilfried zuchtte. ‘En de tape?’ ‘Ja, daar zat ook een vingerafdruk op,’ zei Raymond direct, ‘en ook resten van speeksel, maar daar zijn ze nog mee bezig.’ Geïrriteerd verfrommelde Wilfried het papier dat hij vast had. ‘En het wapen? Zijn ze daar nog iets mee?’ ‘Daar zijn ze nog niet aan toe gekomen,’ zei Raymond zacht. Wilfried sprong op. ‘Fijn is dat. Nu weet ik nog niks.’ ‘Het spijt me Wilfried, meer kan ik ook niet doen,’ probeerde Raymond, in een poging zijn partner te kalmeren. ‘Dat snap ik Raymond,’ zei Wilfried, die de hoorn in zijn hand bijna fijnkneep, ‘ik ben er alleen niks mee.’ Kwaad hing hij op, en smeet hij de telefoon tegen de muur. ‘Godverdomme!’

*** 

Gent, 20 augustus 2008

Liefste,

Het onderzoek lijkt langzaam vooruit te kruipen. Begrijp me niet verkeerd, ik ben blij dat er iets gebeurd. Enkel het labo is een groot struikelpunt. Door de grote drukte duurt het langer dan normaal, tot mijn grote ergernis uiteraard… ’t Was toeval dat ik vanochtend op het Commissariaat was, net toen Raymond de bezig was met de labo uitslagen. 

De kauwgom is dus van Didier Vervecke, hij woont niet zo ver van plaats delict zei Cat. Ze gaan hem in de gaten houden, want ze vermoeden – enfin, hopen – dat hij meer weet over de zaak. 

Verder zat er een vingerafdruk op de tape, en wat speeksel aan de rand – vermoedelijk heeft de dader de tape met zijn mond gescheurd, maar er was in de database geen match.

’t Klinkt misschien een beetje creepy, maar er zat een briefje in de loop van het pistool. De boodschap die erop stond was al even erg:

PS: Ooit zul je begrijpen waarom.

Het was geschreven in hetzelfde handschrift als de vorige brief die ik kreeg, dus waarschijnlijk is ook deze van de moordenaar…



’t Is allemaal zo verwarrend.

Wilfried.

***

Gent, 3 september 2008

Liefste,

Het lukt niet. Ze krijgen hem niet te pakken. Elke keer als ze terug de teamruimte in slenteren weet ik al hoe laat het is. Weer niet. En ik weet dat het niet lang meer gaat duren voor ze opgeven. Ik zie immers hoe moe ze zijn. Ik hoor het als ze zuchten, of gapen, als iemand voor de zoveelste keer vraagt of er koffie gehaald moet worden. Ze zijn alle dagen – en alle nachten als het moet – bezig met het onderzoek, dat de ene dag vooruitgang boekt en de volgende dag weer vollédig vast staat. Ik zie dat ze willen vechten, dat ze zich echt vastgebeten hebben in de zaak, maar op een gegeven moment gaan ze eraan onderdoor…

Hoe dan ook, liefste Dominique, het is binnenkort voorbij. ’t Maakt me niet meer uit hoe dit afloopt, als het maar ophoudt. Want zo gaat het niet langer. Ik betrap mezelf er steeds vaker op dat ik bezig ben met andere dingen, in plaats van naast jouw bed te zitten en je hand vast te houden. Je lijkt weg te glijden, als een stuk zeep floep je uit mijn handen. Je reageert nauwelijks ergens op, zelfs als ik er ben is er haast geen verandering te zien in de hersenactiviteit…

Ik maak me zorgen. Alles dreigt te mislukken. Het onderzoek, mijn leven met jou, … Ik wil je helemaal nog niet kwijt, en ik weet wel dat ik niet egoïstisch mag zijn, dat als ik moet kiezen ik moet kiezen wat voor jou het beste is, hoe graag ik je ook zie. En dat het team erdoorheen zit, maakt ’t er niet veel beter op.

Ik voel dat morgen hun laatste poging is.

Wilfried.

***

‘Kijkkijkkijk.’ Terwijl ze door de verrekijker tuurde, wees ze richting het bankje. ‘Oké. Dat is ‘m. Stimorol. Wild cherry. Man, die gast moet serieus last van z’n darmen hebben. Hij stak een half pakje in z’n mond…’ Ze zwaaide haar arm naar achteren en sloeg Michiel zo bijna in zijn gezicht. ‘Bel John. Zeg dat dit ‘m is.’ ‘Oké,’ was Michiel zijn antwoord. Hij nam zijn gsm en belde John om door te geven wat zijn partner net had gezegd. Hij stond op zodra hij had opgehangen. ‘John zegt go.’ Cat sprong op. ‘Yes! Eindelijk nog eens wat actie.’ Ze duwde de verrekijker zonder te kijken in Michiel zijn maag en liep richting het bankje. Ze zag hoe haar collega’s haar voorbeeld volgden. Naar mate ze dichterbij kwamen, werd de glimlach van Raymond steeds groter. De jongen had niets door, alle geluiden die ze maakten werden overstemd door de muziek die uit zijn mp3-speler dreunde. Raymond ging naast de jongen staan en haalde met één vlotte beweging de oordopjes uit zijn oren; de jongen schrok hiervan. ‘Zou je even met ons willen meekomen?’ Cat toonde haar penning. ‘Politie Gent.’ De jongen keek verward om zich heen, en zag hoe vijf agenten om hem heen gingen staan. ‘Uhh…’ Hij stond op. ‘Ik weet niet… Uhh… Voorwadist?’ ‘Een onderzoek,’ zei John direct. Zenuwachtig keek de jongen naar de gezichten van de mensen om hem heen. Er viel een stilte.

Nog voor iemand het door had, was de jongen over de rugleuning van de bank gesprongen en maakte hij zich uit de voeten. Het team zette direct de achtervolging in, maar niet iedereen kwam even ver. John gaf al forfait na het oversteken van de straat, want hij voelde dat zijn conditie en gezondheid een sprint niet toeliet. Raymond kwam iets verder, maar gaf op om dezelfde reden. Emma was achtergebleven bij het bankje. De naaldhak van haar schoen was blijven steken tussen twee stenen en vervolgens afgebroken. Ze was op haar knieën gaan zitten, in een poging de hak los te wringen.

Alleen Cat en Michiel bleven over. In een wirwar van smalle steegjes probeerden ze de jongen bij te houden. Michiel was zo gefocust op het rennen en het proberen in te halen van de verdachte, dat hij niet eens door had dat Cat een zijstraatje was ingeslagen om een stuk af te snijden. Aan het einde van het steegje kwam ze op een bredere steeg, en ze stopte toen ze de jongen op zich af zag komen. Hij keek achter zich, om te zien of Michiel nog altijd achter hem liep. Cat grijnsde, trok een vuilnisbak omver en zag hoe de jongen struikelde en op de kasseien viel. Breed glimlachend boog ze oven hem heen. ‘Ge kunt kiezen: met of zonder armbanden.’ De jongen kreunde. 

***

‘Waar was je op 14 mei 2008, tussen tien en twaalf in de ochtend?’ Raymond sloeg zijn notitieblok open. ‘Wel?’, zei hij na een lange stilte. De jongen haalde zijn schouders op. ‘Geen idee, dat is al zo lang geleden… ’t Is inmiddels september…’ ‘Denk eens goed na,’ zei Raymond iets luider. Opnieuw haalde de jongen zijn schouders op. ‘Misschien keek ik thuis naar Donna, op één.’ ‘Kan iemand dat bevestigen?’, vroeg Raymond, terwijl hij zijn pen inklikte om te kunnen schrijven. ‘Maar misschien ook niet,’ zei de jongen nog. Raymond zuchtte. ‘Oké, dus je hebt geen alibi.’ Hij bestudeerde de jongen aandachtig. ‘Misschien heb je wel iemand verkracht, of nog erger, vermoord…’ De jongen zat eerst wat onderuit gezakt, maar was ineens rechtop gaan zitten. ‘Ik heb niemand vermoord! Ik zweer het, ik heb die man niet vermoord!’ De tussendeur vloog open, en Wilfried kwam de verhoorkamer binnengestormd. Hij toonde een foto aan de jongen. ‘Ken je hem?’, vroeg hij snel. De jongen haalde voor de derde keer zijn schouders op. ‘Ik heb hem misschien al eens gezien ja, maar ik ben niet zeker.’ ‘Misschien dat je ‘m zo beter kent,’ zei Wilfried, waarna hij een foto toonde van het levenloze lichaam van Dominique op het plaats delict, ‘met een kogel door zijn hoofd. Misschien heb jij die er wel doorheen gejaagd.’ De jongen schudde geschrokken zijn hoofd. ‘Nee, echt niet, ik heb hem niet vermoord, ik, ik…, nee!’ De tranen liepen over zijn wangen. ‘Ik heb de moord zien gebeuren ja, maar ik heb hem niet vermoord! Ik zweer het! Ik kon niks zeggen, ik kon niet naar de politie gaan, jullie hadden ongetwijfeld gevraagd wat ik daar deed en of er meer mensen waren die het hebben gezien. Ik… Ik stond daar met een paar klanten, ik had meer dan vijfhonderd euro op zak, en er gingen nog een hoop mensen komen, ik…, ik was bang dat jullie mij zouden oppakken daarvoor!’ ‘Wat verkocht je?’, vroeg Raymond, ‘Hasj, coke, xtc?’ ‘Voornamelijk coke,’ zei de jongen, die enigszins gekalmeerd was, maar het zweet stond nog op zijn voorhoofd. Er viel een stilte. Raymond keek naar zijn collega, die als versteend naast de jongen stond. ‘Wat heb je precies gezien?’, vroeg Wilfried zacht. 

***

Er lag een briefje op tafel, met een pen ernaast. Hij zuchtte. Waarschijnlijk van zijn moeder, of hij de was wilde ophangen of de vaatwasser wilde inruimen. Net waar hij zin in had… Hij zuchtte en nam het briefje van de tafel. Zijn blik verstarde.

Één woord tegen de flikken en je eindigt net zoals je kat.

Toen hij opkeek, zag hij hoe het levenloze lijfje van zijn lapjeskat Tommie tegen de servieskast was gespijkerd. Hij gilde. De angst en adrenaline gingen door zijn hele lijf. Hij moest diréct terug naar het Commissariaat.

In paniek sprong hij weer op zijn fiets, en reed zo had als hij kon richting Belfortstraat. Hij glimlachte toen hij de gevel val het politiekantoor in het oog kreeg; hij was er bijna. Bijna veilig.

Hij hoorde piepende banden.

Een slag tegen zijn hoofd.

***

Verslagen keek Wilfried naar de zone binnen de afzetting. ‘Godverdomme…,’ hoorde hij Michiel zeggen. Het hele team stond op de stoep voor het Commissariaat te kijken naar een zilvergrijze BMW, met een gebarsten ruit en hier en daar wat vegen bloed. Ernaast lag het lichaam van Didier Vervecke. De lijkschouwer trok zijn handschoenen uit en schudde John de hand. ‘Tja, niet zo heel ingewikkeld. Hij is tegen de zijkant van de neus gereden, overkop geslagen en naast de auto weer neergekomen. Zijn nek is gebroken; hij moet opslag dood geweest zijn.’ Na een vriendelijk knikje liep hij weg.

Ook nadat zijn collega’s terug naar binnen waren gegaan, was hij nog even blijven staan. Er gingen allerlei gedachten door zijn hoofd. Maar steeds vaker kwam de gedachte in hem op dat de zaak nu weer terug bij af was. De rillingen gingen over zijn rug. De gedachte alleen al maakte hem misselijk. Hij zuchtte, en ging ook weer terug naar binnen.

‘Oké, wat hebben we?’, vroeg John zuchtend. ‘Niks,’ zei Wilfried direct. John keek verbaasd naar Raymond, die al knikkend zijn schouders ophaalde. ‘’t Is waar John, we hebben niks. We weten wie het slachtoffer is en waar de plaats delict is, maar dat is alles.’ ‘En hoe zit het met de bestuurder van de auto?’, vroeg John rustig verder. ‘We hebben hem gecheckt en gedubbelcheckt, maar de kans dat hij hier iets mee te maken heeft is nihil,’ antwoordde Michiel. ‘Gewoon een toeval dat die mens Didier Vervecke aanreed,’ vulde Cat hem aan. ‘En nu?’, vroeg Wilfried, die de teamruimte in was gelopen. Het bleef stil. 

***

Gent, 4 september 2008

Liefste,

Onze enige getuige is deze morgen voor onze neus doodgereden. Hij had de moordenaar gezien, hij had u herkend, hij kon heel wat dingen verduidelijken. Maar nu is hij dood…, vanwege een stomme rechtszaak… Hij moest wel gaan, dat weet ik ook wel, maar we hadden ‘m op z’n minst bescherming kunnen geven, dan was hij er nu nog geweest…

Godverdomme! Alle hoop die ik nog had is nu zo’n beetje weg. We gaan die gast nooit vinden. Want we hebben níks.

Fijne gedachte is dat.

Wilfried.

P.S.: Een jongedame heeft mij mee uitgevraagd vanavond. Ik heb beloofd om te komen, en aangezien ik haar telefoonnummer niet heb – en nee, ik ga dat niet opzoeken in de database – kan ik niet afbellen, en ik kan ’t ook niet maken om niet op te komen dagen. Nouja…

***

Zenuwachtig keek hij rond. Het was al half zeven geweest, en ze was er nog altijd niet. Echt bevorderlijk voor zijn goesting om iets te gaan drinken met iemand die hij eigenlijk niet kende, was het niet. Eigenlijk had hij al willen opstaan, toen hij een hand op zijn schouder voelde. Hij keek op, en zag een glimlachende Amélie naast hem staan. ‘Sorry dat ik zo laat ben,’ zei ze, waarna ze hem volautomatisch een zoen op zijn wang gaf, ‘halverwege stond mijn band ineens plat. De rest heb ik moeten lopen.’ Ze zuchtte. ‘En nu wil ik een pint. Een colaatje voor jou?’ Wilfried knikte. ‘Graag.’ 

Met een zucht ging ze zitten. ‘Was jouw komst naar hier meer succesvol?’ Wilfried haalde zijn schouders op. ‘Ligt eraan hoe je het bekijkt. Ik had geen platte band.’ Amélie glimlachte. ‘Dat is al goed.’ Wilfried keek naar zijn glas, dat hij langzaam ronddraaide. ‘Ik kom net terug van het ziekenhuis… Mijn vriend ligt in coma.’ Hij keek op, en zag hoe Amélie haar gezicht betrok. ‘Oei… Sorry… Ik…’ Wilfried wuifde het weg. ‘Je kon het niet weten.’ Hij liet zijn hand zakken. ‘Alhoewel…’ Amélie keek hem verbaasd aan. ‘Hij is neergeschoten op de parking van Ter Platen.’ Amélie knikte. ‘Ik heb daar iets over gehoord ja… Hebben jullie de dader al?’ Wilfried schudde zijn hoofd. ‘Nee… We hebben nauwelijks aanwijzingen…’ Hij glimlachte. ‘Maar als je het niet erg vind, praten we nu over iets anders.’ Amélie knikte en glimlachte. ‘Oké.’

***

Ze lag al een paar minuten te draaien en met haar dekbed te vechten, toen ze plots wakker schrok. In geen tijd was ze van haar buik via haar rug uit haar bed gerold. Als versteend stond ze midden in haar kamer. Ze veegde het zweet van haar voorhoofd, waarna ze zuchtte. Snel haalde ze een spijkerbroek en een trui van haar bureaustoel en liep haar kamer uit. Terwijl ze alle krakende treden en planken vermeed, daalde ze de trap af en liep ze door de gang naar de voordeur. Ze trok de kleren aan over haar nachtjapon, zocht haar slippers en huissleutels en ging zonder verder nog veel geluid te maken naar buiten. Ze stak over en liep in de richting van de grote parking. Ze had daar een ‘eigen’ bankje, waar ze altijd volledig tot rust kon komen, gewoon door daar even een half uurtje te zitten. 

Toen ze het bankje in het oog kreeg, zag ze dat er al iemand zat. Ze glimlachte toen ze dichterbij kwam en de persoon op het bankje herkende: het was Wilfried. Ze ging bij het bankje staan. ‘Ook aan het genieten van het mooie weer?’ Wilfried keek op en glimlachte. ‘Ja. Heerlijk zonnetje.’ Lachend ging Amélie naast hem zitten. ‘Kon je ook niet slapen?’, vroeg Wilfried direct. Amélie haalde haar schouders op. ‘Min of meer. Ik had een nachtmerrie, en dan kan ik nooit direct weer slapen.’ Wilfried zuchtte zacht. ‘Zo is het bij mij ook ongeveer…’, zei hij, waarna Amélie hem tijdens de stilte die erop volgde, grondig bestudeerde. ‘Je ziet er moe uit,’ zei ze, waarna ze een traan van zijn wang veegde. Wilfried knikte. ‘’t Gaat hoe langer hoe slechter met het onderzoek… We hebben niks en we kunnen niks.’ Hij keek haar aan. ‘We hadden een getuige, maar de moordenaar heeft hem gevonden en bedreigd. Hij is in paniek naar het commissariaat gefietst, en vervolgens onder een auto gekomen.’ Hij wendde zijn hoofd af, omdat de tranen over zijn wangen stroomden. ‘En ik kan níks doen.’ Hij voelde een hand over zijn rug naar zijn linker schouder gaan. Amélie was dichter bij hem komen zitten. ‘Ze zullen hem wel vinden,’ fluisterde ze, ‘dat beloof ik u.’ Hij keek haar aan. Zelfs in het vage schijnsel van de lantaarnpaal een paar meter verderop, zag ze dat zijn ogen rood waren van het huilen. ‘Ik hoop het…,’ zei hij zacht, ‘ik hoop het zo…’ Ze streelde hem door zijn haar en glimlachte. 

***

Verwonderd keek Wilfried naar het tafereel voor hem. ‘Ik begrijp wat je bedoelt…’ Raymond wees naar het bankje. ‘Kijk daar ook maar even.’ Verbaasd liep Wilfried ernaartoe, ging op zijn knieën naast het bankje zitten en keek onder het zitvlak. Hij zuchtte. ‘Leeft hij nog?’, vroeg hij zachtjes. ‘Nee,’ zei Raymond direct. ‘En nu weten we ’t wel zeker.’ Wilfried knikte. ‘Ik ga mee met de mannen van het labo. Des te sneller weet ik of het dezelfde dader is.’ Langzaam stond hij weer op, waarna hij opzij keek, naar het levenloze lichaam dat iets verderop lag. Hij werd misselijk van de gedachte aan hoe Dominique daar gelegen had. En alles leek dan ook perfect te kloppen. De positie van het lichaam was nagenoeg hetzelfde, de plaats van het wapen, … Een briefje in de loop van het pistool zou het helemaal compleet maken. Hij zuchtte, draaide zich om en liep terug naar de auto. Raymond liep snel achter hem aan. ‘Hoe wist je hier eigenlijk van?’, vroeg hij vlak voordat zijn collega wilde instappen. ‘Ik bedoel, je was er al toen wij aankwamen…’ Wilfried zuchtte. ‘Ik heb weer een brief gekregen van de moordenaar. Waarom weet ik niet, ik ken die man daar niet eens, maar er staat in dat ik beter moet zoeken, dat ik verder moet kijken dan de bewijzen, voor zover we die hebben natuurlijk…’ Raymond knikte. ‘Waar is de brief nu?’ ‘Labo,’ zei Wilfried kortaf. ‘Ik ben er direct heengereden.’ Hij wees naar de man in het witte labopak, die was gebukt om het pistool onder het bankje vandaan te halen. ‘En ik ga nu ook mee, voor het wapen. Ik wil weten of er iets in zit. Ik geef Stefaan een lift.’ De man in het labopak was inmiddels richting Wilfried zijn auto gelopen. ‘Hij onderzoekt het wapen.’ Raymond knikte. ‘Jaja…’ Wilfried haalde zijn schouders op en stapte in. Zodra ook de man van het labo was ingestapt, startte hij de wagen en reed weg.

‘Nou, echt verrassend is het niet zenne.’ Stefaan nam een pincet en stopte het deels in de loop van het pistool. Een paar tellen later kwam het er terug uit, inclusief een netjes opgerold papiertje. Vakkundig rolde hij het open. Wilfried boog zich licht voorover om te kunnen lezen wat erop stond.

Dampoort. Perron 2. Middelste prullenbak.

‘Ik ga er direct naartoe,’ zei Wilfried vastbesloten, en liep weg.

‘Raymond, kom direct naar Dampoort hè,’ zei hij gehaast, ‘Er is mogelijk een aanwijzing. Ik neem mensen mee van het labo.’ Hij hing op en rende richting zijn auto. 

***

‘Deze moet het zijn.’ Terwijl de mannen in witte pakken direct op de afvalbak afvlogen als een stel wilde honden op een stuk vlees, blies ik een keer in mijn handen om ze op te warmen. Het was nog een graad of twintig, maar ik had het steenkoud. Mijn zus dacht dat ik te weinig sliep, en dat ik op deze manier een griepje zou oplopen. Ik heb haar gezegd dat ik niet slapen kan zolang Dominique niet naast mij ligt, waarna ik heb opgehangen. Vervolgens werd ik overvallen door tegenstrijdige gevoelens. Ik hield van Dominique, maar ik was steeds minder bij hem. Er waren zelfs dagen dat ik niet eens aan hem dacht. Raymond vond het een goed teken dat ik mij op andere dingen kon focussen, maar eigenlijk had ik er steeds een slecht gevoel bij. Want ik deed geen moeite om niet aan hem te denken. ’t Ging vanzelf. Dat leek me niet goed.

Ik zag hoe de witte pakken de afvalbak leeggooiden en begonnen te graven tussen het vele afval. Op een gegeven moment ging ik er iets dichterbij staan, om te zien of er ook werkelijk iets tussen het afval zat dat met de zaak te maken zou kunnen hebben. Ik zuchtte. ‘Ja mannen, neem alles maar mee. Dan kan de NMBS ook weer lachen.’ Ik keek opzij, en zag achter de afzetting een aantal conducteurs die zachtjes vloeken. Plots viel mijn oog op een verfrommeld papiertje, dat verdacht veel leek op een omhulsel van Stimorol kauwgom. ‘Pak dat eens op, wil je?’, zei ik tegen één van de witte pakken, die het papiertje oppakte, ‘t voorzichtig openvouwde en aan mij toonde. ‘Tegenwoordig zien die er toch heel anders uit?’, vroeg ik, waarna het witte pak knikte. ‘Dit papiertje is al heel oud… ’t Is al helemaal verkleurd…’ Ik keek de laborant aan. ‘Maak er een foto van wil je, dan zal ik eens informeren bij de maker van die kauwgom hoe oud dit papiertje kan zijn.’

***

Wilfried zat met zijn handen in zijn haar. Letterlijk. Hij had al een paar uur niks gezegd. ‘Raymond,’ zei hij plots, waarna zijn collega hem aankeek, ‘ik heb het gevoel dat de moordenaar heel dicht bij ons staat, dicht bij mij vooral…’ Hij zuchtte. ‘En ik voel mij daar niet lekker bij.’ ‘We zullen ‘m wel vinden, Wilfried,’ zuchtte Raymond voorzichtig; hij wist dat zijn collega dat al vaak had gehoord de afgelopen maanden. Er kwam echter geen reactie op. ‘Raymond,’ ging Wilfried verder, ‘ik ben gewoon bang dat die mens Dominique vindt en alsnog vermoord. Dat ‘ie voorbij de bewaking komt, dat…’ Hij kon zijn zin niet afmaken; Carla kwam gehaast de teamruimte binnengestormd, waarop Wilfried en Raymond haar verbaasd aankeken. ‘Wilfried, er is beneden telefoon voor jou,’ zei ze zachtjes hijgend, ‘het ziekenhuis. Er is iets met Dominique.’ Ze had het amper gezegd, of Wilfried rende haar al voorbij. 

***

‘Hallo?’
‘Ah Wilfried, Mihriban hier.’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Oh, niets om je zorgen om te maken. Nee, ik belde even om te zeggen dat Dominique zijn hersenen wat actiever worden, en dat zou erop kunnen wijzen dat hij binnen een paar uur wakker zou kunnen worden…’
‘Ik kom er nu aan.’

Ik gooide de hoorn richting het toestel en spurtte naar boven om mijn spullen te halen. ‘Raymond, ik ben naar het ziekenhuis.’ Raymond keek mij verbaasd aan. ‘Wat is er aan de hand?’ Ik wou al terug de gang in rennen, maar stopte en draaide mij terug om te antwoorden. ‘Dominique,’ zei ik direct, terwijl ik langzaam een paar stappen achteruit richting de gang deed, ‘hij wordt wakker.’ Vervolgens draaide ik mij weer om en rende de gang in.

‘En nu?’ Mijn blik ging direct terug naar de deur van Dominique zijn kamer. ‘We kunnen niet veel meer doen dan afwachten. Wachten tot de hersenactiviteit weer toeneemt. …’ ‘Wachten…,’ zei ik, waarna ik zuchtte. ‘En hoelang zou ik dan moeten wachten, hm? Ik wacht verdomme al bijna vijf maanden!’ In mijn woede liep ik juist verder van zijn kamer vandaan, terwijl ik eigenlijk terug wou. Mihriban kwam mij achterna. ‘Wilfried,’ zei ze in een poging om mij te kalmeren, ‘meer kunnen we gewoon niet doen. We kunnen ‘m eten geven, ‘m één keer in de zoveel dagen wassen, bed verschonen, enzovoorts, maar verder staat Dominique er hélemaal alleen voor. Zijn lichaam moet zich herstellen, en dat duurt bij de een al wat langer dan de ander. We kunnen niets meer voor hem doen zolang hij in coma ligt.’ 

Even werd het stil. Ik vroeg mij af of ik hier nog tegenin kon gaan, maar al snel kwam ik tot de conclusie dat ik er geen goesting in had. Ik haalde mijn schouders op en wilde zeggen dat ik dan wel zou wachten, maar ik kreeg de kans niet. Er kwam een luid, alarmerend gepiep uit een van de kamers in de gang. Slechts één deur was open; die van Dominique zijn kamer. Nog voor ik het door had, rende er iemand de kamer uit, richting de uitgang. Ik begon te rennen. ‘Hey! Kom terug!’, riep ik nog, maar de vluchter was al verdwenen. Als verdoofd bleef ik staan; ik hoorde enkel nog het gepiep door de hal galmen.

Beduusd liep ik de kamer binnen. Ik schrok toen ik zag dat het bed leeg was, en de lakens naar één kant van het bed hingen. Naast het snelle gepiep van de monitor hoorde ik Mihriban zachtjes fluisteren. ‘Rustig maar, niks aan de hand…’ Ze zat gehurkt aan de zijkant van het bed. Ik liep er naartoe, en zag hoe Dominique op zijn buik op de grond lag. Ik hoorde zacht gekreun. ‘Wilfried is hier,’ zei Mihriban, ‘Alles komt goed.’ ‘Wilfried…?’, hoorde ik een schorre stem fluisteren. De rillingen gingen door mijn lijf, maar werd gevolgd door een golf van blijdschap. ‘Dominique,’ zei ik, waarna ik om Mihriban heen liep en vlakbij zijn hoofd op mijn knieën ging zitten, ‘ik ben hier zoetje, ik ben hier.’ Ik gaf hem een zoen op zijn wang en liet mijn vingers door zijn haren gaan.

***

De hele tijd had ik zijn hand vastgehouden, hem af en toe een kus gevend of door zijn haren strijkend. Enfin, toch sinds hij weer terug was van Radiologie; in het halfuur dat hij weg was heb ik iedereen gebeld die ik maar kón bellen. Het team was euforisch, ze waren blij voor mij. Ze zouden allemaal wel eens langskomen. 

Er werd op de deur geklopt, en na een paar tellen verscheen Emma in de deuropening. ‘Hey,’ zei ze, waarna ze om het bed heen liep om mij een zoen te geven, ‘ça va?’ Ik glimlachte. ‘Beter dan een paar uur geleden.’ Ze toonde mij de bloemen die ze had meegenomen. ‘Schoon?’ Ik knikte. ‘Zéér.’ Ze glimlachte en liep terug naar de andere kant van het bed, waar een stoel stond. Ik grinnikte bij het horen van haar voetstappen. ‘Nieuwe schoenen gekocht?’ Emma zuchtte zachtjes. ‘Nee, deze had ik nog staan.’ Ze legde de bloemen op het voeteneind van het bed en ging zitten. ‘Hoe is het met hem?’, vroeg ze, waarop ik mijn schouders ophaalde. ‘Wel redelijk denk ik… Hij slaapt nu, en Mihriban komt om de zoveel tijd eens kijken, en ze kijkt steeds tevreden, dus ’t zal wel goed zijn.’ Er viel een stilte.

‘Wel mooie sportschoenen trouwens. Dominique heeft ze ook.’

Haar gezicht betrok. ‘Bedankt. Ik vond ze ook mooi.’ Ze zocht overduidelijk naar een ander onderwerp om over te praten; haar oog viel op de kaarten op het prikbord. ‘Nog altijd dezelfde, zo te zien.’ Ze stond op en wees ernaar. ‘Mag ik?’ Ik knikte, waarna ze kaart voor kaart van het bord los maakte en ze begon te lezen. ‘Michiel is niet echt goed in kaartjes schrijven zie ik,’ zei ze al grinnikend. Toen ze de kaart terugpinde op het bord, viel haar oog op een volledig witte kaart. ‘Van wie is deze?’, vroeg ze. Ik haalde mijn schouders op. ‘Geen idee. Lees maar.’ Ze nam de kaart van het bord, draaide ‘m om en las wat er op stond. ‘Wilfried,’ zei ze zacht. ‘Hm…,’ was mijn antwoord. ‘Ik denk,’ ging Emma verder, ‘dat je deze nog niet gezien hebt.’ Ze gaf mij de kaart. Ik keek haar verbaasd aan, en zag hoe bleek ze was geworden. 

Ik dacht dat je slimmer was.

P.S. 

***

Mijn hart bonkte in mijn keel. Duizend gedachten gingen tegelijkertijd door mijn hoofd. Mijn handen trilden, tranen prikten in mijn ooghoeken. Ik was in paniek. Dit kon niet waar zijn. Nooit had ik zoiets voor mogelijk gehouden. 

‘Dit kan niet…’

Ik was al minstens een kwartier aan het ijsberen door de kamer. Er werden enkele dingen duidelijk, maar al de rest was ineens niet meer zo vanzelfsprekend meer.

Op een gegeven moment stopte ik met lopen, en keek ik naar het bed. Hij sliep nog steeds. Ik hoorde hoe hij zachtjes aan het praten was, iets dat hij wel vaker deed in zijn slaap. Ik glimlachte; net als anders kon ik er geen touw aan vastknopen. Mijn gezicht betrok. 

Ik moest iets doen.

Ik nam mijn jas van de stoel, boog over Dominique heen en gaf hem een zoen. ‘Ik ga het zelf doen, Dominique,’ zei ik vastbesloten, ‘ik zoek de persoon die u dit heeft aangedaan zelf wel.’ Nadat ik hem nog een zoen had gegeven, liep ik de kamer uit. 

***

‘OPAC, OPAC, OPAC…’ 

Ik ging met mijn vingers langs alle boeken in de kast, terwijl ik de tekst op de ruggen bekeek. Mijn ogen vielen op enkele goudkleurige letters op een blauwe kaft. ‘Eindelijk,’ zuchtte ik opgelucht, waarna ik het boek uit de kast trok. Op de voorkant sierde een foto van alle mensen waarmee ik ben afgestudeerd aan de politieschool. Ergens in het midden van de groep stond een klein, slank gastje met een soort van bloempotkapsel. Ik grinnikte. Mijn coupe was er op vooruitgegaan, vond ik zelf.

Terwijl ik naar de tafel liep, sloeg ik het boek open en begon ik er in te bladeren. Ik ging aan tafel zitten en zocht mijn mentorgroep op. Ik zuchtte. Weer datzelfde kapsel… Ik wilde de pagina al omslaan om verder te zoeken naar wat ik dan ook zocht, toen mijn oog viel op de foto van een oud klasgenoot van mij. ‘Pascale Stevens…,’ zei ik hardop, waarna er in mijn hoofd een link werd gelegd met de zaak. 

‘Merde…!’

Ik sprong op, nam mijn jas en stormde het huis uit.

***

Hij keek de teamruimte rond. Niemand te zien. Zelfs John was er niet. Hij had al wel gemerkt dat het hele commissariaat redelijk uitgestorven was, zelfs Carla was er niet om te zeggen wat er aan de hand was. ‘Een interventie zeker…,’ zei hij hardop, waarna hij richting in het computerkamertje verdween. Hij plofte neer op de bureaustoel en typte de naam in van de persoon die hij zocht. Hij las de fiche snel door. ‘Pascale Stevens…, gescheiden, één kind…’ Hij glunderde. ‘Bingo! … En print!’

‘Willem Wenemaerstraat...’ Hij keek op zijn papier. ‘Twaalf…’ Hij keek rond en glimlachte toen hij op de voorgevel van het huis voor hem het juiste nummer zag staan. Hij liep richting de deur en belde aan. En na een halve minuut nog eens. En nog eens. 

Er werd niet open gedaan.

***

‘Ik heb een envelop gevonden tussen het vuilnis,’ zei Stefaan, terwijl hij Raymond een pak foto’s gaf, ‘en in eerste instantie dacht ik dat het onbruikbaar was, er zaten geen vingerafdrukken op en er zat niets in. Tenminste, dat dacht ik. Een van mijn collega’s wees me erop dat er drie haren in zaten, mét wortel. Het DNA-profiel dat we eruit hebben gehaald, staat in onze database. Het is een vrouw, en…’ ‘Stop,’ zei een stem. Iedereen in de teamruimte draaide zich richting de gang, en ze zagen Wilfried met Emma vlak achter hem. ‘Ik weet wie het is.’ 

Raymond drukte hem op de stoel en smeet de deur dicht. ‘Godverdomme Wilfried!’, schreeuwde hij, ‘Wat dénk je wel? Dat ons onderzoek voor uw gevoel niet rap genoeg vordert wil absoluut niet zeggen dat je zelf de cowboy moet gaan uithangen!’ Zijn ogen spuwden vuur. ‘Je wordt bedankt! Van ál het bewijs dat we hadden, kan de geloofwaardigheid door zelfs de slechtste advocaat ter wereld in twijfel worden getrokken. Alléén omdat een zeker Hoofdinspecteurtje het niet kon laten om zélf op onderzoek uit te gaan…!’

Er viel een stilte. ‘’t Spijt me, Raymond…’ Hij stond op en liep weg.

***

‘Ik heb elke keer als ik me omdraai het idee dat mijn vel hier scheurt.’ Hij wreef met twee vingers over zijn borstbeen. Ik knikte en glimlachte kort. ‘Toen je wakker bent geworden en uit je bed bent gevallen, is een van de plakkertjes van de sensoren losgekomen. En die zitten best goed vast, dus nadien was het helemaal rood.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Kun je daar misschien wat crème voor kopen? Ze weigeren er hier iets aan te doen.’ Ik knikte. ‘Er zal thuis nog wel wat in de kast staan.’

Er viel een stilte. ‘Mihriban zei dat je er nog goed vanaf bent gekomen.’ Ik keek hem aan. ‘Ze kwam in het begin van je coma al aanzetten met allerlei dingen die veranderd zouden kunnen zijn… Maar vooralsnog lijkt alles hetzelfde.’ Hij glimlachte en streelde mijn gezicht. ‘Des te beter, toch?’ Ik knikte. ‘Ja.’ Hij trok mij voorzichtig naar zich toe om mij een kus te geven. ‘Ik vraag me eigenlijk nog één ding af,’ zei ik plots. ‘En dat is?’, vroeg hij verbaasd. ‘Kan je je nog iets herinneren van wat er allemaal gebeurd en gezegd is toen je in coma lag?’ Ik keek hem hoopvol aan, maar hij schudde zijn hoofd. ‘Heb je al die maanden tegen mij zitten kletsen dan?’ Ik glimlachte. ‘Zoiets ja.’

Mijn gsm ging af. ‘Shit.’ Verkeerd moment. Ik keek met een onschuldige blik naar Dominique, terwijl ik opnam; ‘Pasmans…’ Geduldig luisterde ik naar wat de persoon aan de andere kant van de lijn te vertellen had, zonder zelf verder iets te zeggen. ‘Oké, ik kom eraan.’ Ik hing op. ‘Ik moet dringend weg…,’ zei ik tegen Dominique, terwijl ik opstond, ‘Waarschijnlijk krijg ik een hele preek over me heen van John, of nog erger, wordt ik geschorst of zelfs ontslagen… Enfin…’ Ik gaf hem een zoen. ‘Misschien kom ik vanavond nog even.’ Hij knikte, waarna hij mij aan mijn stropdas voorzichtig weer naar zich toe trok. ‘Dag zoetje,’ zei hij, waarna hij mij een zoen gaf. Het was de eerste keer in vijf maanden dat ik voelde hoe zijn tong de mijne zocht en bespeelde. Het voelde goed. Ook al duurde het maar even, ik genoot er intens van. 

‘Hm…’ ‘Hm wat?’, vroeg hij verbaasd. Ik glimlachte. ‘Spijtig dat ’t alweer gedaan is…’, zei ik, waarna hij ook glimlachte. ‘Ah, op die manier hm…’ Hij gaf mij een kus. ‘To be continued…,’ zei hij al grijnzend. ‘En euhm…’ Hij keek mij twijfelend aan. ‘Wat?’, vroeg ik. Hij glimlachte. ‘Ik wil heel graag met je trouwen.’ Ik keek hem verbaasd aan. ‘Je hebt dat gehoord?’, vroeg ik zacht. Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet dat ik weet, maar…’ Hij hield zijn rechterhand omhoog. ‘Ik vond dit daarstraks.’ Met zijn duim draaide hij met de ring om zijn ringvinger. Ik keek hem recht in de ogen. ‘Zeker?’, vroeg ik op fluistertoon. Hij knikte, waarna we allebei glimlachten. Ik gaf hem een zoen. ‘Ik zie u graag.’ ‘Ik u ook,’ fluisterde hij. Terwijl we terug aan het zoenen waren, voelde ik zijn hand onder mijn shirt verdwijnen. Ik beëindigde de zoen. ‘Ik moet echt gaan,’ zei ik met een grijns op mijn gezicht. Ik liep naar de deur en blies nog een zoen naar hem. ‘En ik dan?’, vroeg Dominique zo zielig mogelijk. Ik grinnikte en deed de deur open. ‘To be continued…’ Met een nog grotere, en vooral mysterieuze grijns verliet ik de kamer.

***

‘Het is ongehoord dat een zelfs een Hoofdinspecteur zo stóm is om zijn eigen onderzoek te voeren.’ John ging zuchtend zitten. ‘En ik ben dan degene die alle bazen gerust mag stellen dat het niet meer zal gebeuren.’ Wilfried ontweek zijn kwade blik. ‘Je moet hier een verdomd goeie uitleg voor hebben, Pasmans, anders sta ik niet voor de gevolgen in,’ ging John onverstoorbaar verder. ‘En ik hoop dat je slim genoeg bent om te begrijpen wat die gevolgen kunnen zijn.’ Wilfried knikte, en keek zijn Commissaris recht aan. ‘Is Dominique een goede reden?’ John zuchtte. ‘Privé misschien,’ zei hij minder luid als enkele seconden eerder, ‘maar professioneel zéker niet. Je moet privé en werk gescheiden houden, Wilfried, hoe dan ook.’ Hij wees naar de telefoon. ‘Ik weet dat ik vandaag of morgen de Zone Chef aan de telefoon heb, die mij dan zegt dat je geschorst bent voor zolang als het onderzoek loopt. En gezien de omstandigheden weet ik niet of dat met behoud van loon is.’ Hij had het nog maar amper gezegd, of de telefoon ging over. Enigszins verbaasd nam John op; ‘Nauwelaerts…’ Een halve minuut later legde hij de hoorn terug op het toestel. ‘Wat ik al zei. De Zone Chef. … ’t Spijt me Wilfried, hier kan ik níks tegen doen.’ Wilfried knikte en stond op. ‘Als ze maar niet denken dat ik ’t hierbij opgeef. Ik moet en zal weten wie ons dit heeft aangedaan.’ Hij wilde weglopen, maar John hield hem tegen; ‘En wat gaat ge doen, Wilfried? Wat ga je doen als je dan vervolgens helemaal niet meer moet komen werken? Stempelen? Schoonmaken in de Holiday Inn? Hm? Wat gaat ge doen?’ Wilfried draaide zich terug naar zijn Commissaris. ‘Ge zal nooit meer als agent aan de bak komen, niet hier, niet in Brussel of Hasselt, zélfs niet in het buitenland. Denk eens aan Dominique, hm? Wat gaat hij doen als hij het ziekenhuis uit is? Ook stempelen?’ John zuchtte. ‘Moet ik verder gaan?’ Wilfried schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik begrijp u volledig, Commissaris,’ zei hij rustig, ‘maar als ik moet kiezen tussen mijn job en Dominique, dan is de keuze snél gemaakt.’ Hij draaide zich om en verliet het kantoor.

***

Van buiten hield ik me groot, maar van binnen huilde ik. Zonder te denken aan wat de mensen op straat ervan zouden vinden, begon ik ineens keihard te schreeuwen. Niet dat ’t hielp, want ik was nog steeds kwaad en verdrietig en…

Ik ging in mijn auto zitten. Net toen ik de motor wilde starten, ging mijn gsm af. Het was Mihriban. ‘Ja Mihriban?’ Ik zuchtte; eigenlijk had ik hier geen zin in. ‘Wilfried, je moet nú komen.’ Ze had al opgehangen voor ik kon vragen wat er aan de hand was.

‘Zijn toestand is nu onder controle, maar ’t was voor ons allemaal wel even schrikken…’ ‘Hoe is hij er zelf onder?’, vroeg ik voorzichtig. Mihriban haalde haar schouders op. ‘Hij heeft nog geen woord gezegd.’ Vlak voor de deur van Dominique zijn kamer hield ze me tegen, en keek ze me serieus aan. ‘Hij zal zulke aanvallen wel vaker krijgen, Wilfried. Je zult daar mee moeten leren omgaan, of je nu wilt of niet.’ Ik knikte, waarna ze me naar binnen liet gaan. Ik zag hoe Dominique op de rand van zijn bed zat, en hoe hij uit het raam tuurde. ‘Ze zeggen dat ze met medicatie veel kunnen onderdrukken.’ In de stilte die volgde, ben ik naast hem gaan zitten. Ik sloeg mijn arm om hem heen. ‘We redden dat wel, met z’n tweeën. Daar moet je je echt geen zorgen over maken.’ Ik gaf hem een zoen op zijn wang. ‘’t Komt wel goed, hm?’ Hij knikte. ‘Oké,’ zei hij, waarna hij tegen mij aan leunde. ‘Ik zie u graag,’ fluisterde hij. ‘Ik u ook,’ zei ik, terwijl ik mijn hand door zijn haren liet gaan. 

***

‘We hebben geen bewijzen tegen haar. We kunnen niks doen.’ Wilfried zuchtte. ‘Maar zij ís het Raymond, zíj. Ik denk als je bloed zou nemen het DNA zou overeen komen…’ ‘Probleem,’ zei Raymond direct, ‘we mógen geen bloed nemen. We mogen zelfs geen huiszoeking doen. Omdat we niks hebben.’ ‘Maar Raymond,’ probeerde Wilfried nog, maar hij werd de mond gesnoerd door zijn collega; ‘Nee, Wilfried, ’t is over. We kunnen niks doen zolang we geen bewijzen hebben.’ Wilfried probeerde zijn tranen te bedwingen; hij beet op zijn lip. 

‘Het spijt me.’

***

Ik knikte, tot ik realiseerde dat hij dat niet kon zien. ‘Oké,’ zei ik zacht, waarna ik ophing. Vervolgens stond ik op en liep kort zenuwachtig door de woonkamer. Ik stopte toen ik een foto van Dominique op de kast zag staan. En ik weet niet goed of die foto er iets mee te maken had, maar plots werd ik overvallen door een vlaag van woede. Gillend stormde ik op het kastje af en sloeg met mijn armen alles eraf wat er op stond. De tranen vloeiden over mijn wangen, en drupten op de parketvloer. Ik drukte mezelf tegen de muur en liet mezelf naar beneden zakken.

Ik was op.

***

Mijn tranen waren na een paar uur ook op. Ik wilde wel huilen, maar ik kon niet meer. Ik was moe, maar slapen lukte ook niet. Ik had besloten dat ik er met iemand over moest praten. Ik belde Raymond, maar ik kreeg zijn voicemail. Ik panikeerde; ik móest met iemand praten. Plots bedacht ik mij dat Amélie mij haar telefoonnummer had gegeven, voor als ik ooit nog eens iets wilde afspreken. Ik draaide haar nummer; er werd vrijwel direct opgenomen. ‘Amélie? ’t Is Wilfried, Wilfried Pasmans. Ik… … Zou je even naar hier kunnen komen? Ik heb nood aan een luisterend oor.’

‘En wat gaat er nu gebeuren?’ Ze nam een slokje van haar witte wijn. Ik zuchtte. ‘Ze gaan ‘m medicatie voorschrijven, en die zal hij de rest van zijn leven moeten nemen als hij niet om de zoveel dagen of uren een aanval wil krijgen… De kans dat hij weer zo’n zware aanval krijgt als in het ziekenhuis, is redelijk groot…’ Even bleef het stil. ‘En hoe is het met jou?’, vroeg ze plots, ‘Je ziet er moe uit…’ Ik knikte. ‘Ik ben ook moe,’ zei ik met een flauw glimlachje. ‘En mijn hele leven wordt overhoop gegooid door dit hele gedoe met Dominique… Mijn bazen hebben mij geschorst voor zolang het onderzoek loopt…’ ‘En vordert dat een beetje?’, vroeg Amélie direct. Ik schudde mijn hoofd. ‘In tegendeel. Het dossier ligt onderop de stapel… Al maanden trouwens. Af en toe wordt het eens bovengehaald, maar na een paar dagen geven ze ’t weer op en verdwijnt het weer ergens in die stapel.’ ‘En jij?’, vroeg Amélie rustig verder, ‘Laat jij het dossier ook onderop liggen?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik denk zelfs te weten wie het is… Maar ik mag niks doen.’ Ze nam mijn hand vast. ‘Ik wou dat ik kon helpen.’ Ze glimlachte voorzichtig. ‘Maar euhm,’ ging ze zachtjes verder, ‘als je ’t niet erg vindt, ga ik weer eens naar huis. ’t Is al laat, en ik moet het hele stuk nog lopen.’ Ik knikte. ‘Ik zal wel meelopen, hm?’ Ze knikte en glimlachte. 

***

‘Hoe zat het nu eigenlijk met die jongen die is aangereden?’, vroeg Amélie geïnteresseerd, ‘Want, ’t is nagenoeg onmogelijk om zonder verhoord te worden zomaar weg te gaan.’ Wilfried zuchtte zachtjes. ‘Hij moest naar de rechtbank, hij stond terecht wegens joyriding.’ ‘Ah…,’ was het antwoord. Het bleef stil.

Plots ging ze langzamer lopen. ‘Hier is het,’ zei ze, waarna ze stilstond. ‘Bedankt dat je bent meegelopen.’ ‘Ça va,’ zei Wilfried zachtjes. ‘Jij bedankt. Dat je naar mijn gezaag hebt willen luisteren… Ik moest het even met iemand delen.’ Ze lachte en legde haar hand op zijn arm. ‘Dat is oké. Ik ben hoop dat je je zo een beetje beter voelt.’ Hij knikte. ‘Ik denk dat ik vanavond zelfs wat zal kunnen slapen.’ Een flauwe glimlach. ‘Allez,’ zei Amélie, waarna ze hem een zoen op zijn wang gaf, ‘Ik zie u nog wel.’ Hij knikte. ‘Slaapwel.’ ‘Slaapwel,’ was haar antwoord. Hij liep weg.

Op de terugweg probeerde hij zijn hoofd leeg te maken. Het lukte niet. Zodra hij de parking in het oog kreeg, moest hij aan Dominique denken. Toen hij onder zijn voeten langdurig geknars hoorde, zoals van bladeren in de herfst, keek hij naar beneden. De hele straat lag vol met papiertjes, en toen hij er één oppakte, zag hij wat voor papiertje het was. 

Stimorol, wild cherry…

Hij zag dat de parking er ook deels mee bezaait was. Hij volgde het spoor van papiertjes, tot hij in de duisternis iemand op een bankje zag zitten. Hij liep er op af, nieuwsgierig, impulsief, alert. Hij hield zijn hand op zijn holster. Sinds de aanslag op Dominique had hij zijn wapen altijd bij, waar hij ook naartoe ging. 

‘Ah, eindelijk,’ zei een stem, ‘ik dacht dat je niet meer zou komen. Ik begon het koud te krijgen.’ In het zwakke schijnsel van de straatlantaarns verderop, zag hij een bekend gezicht; Pascale Stevens. ‘Heb jij Dominique neergeschoten?’ Hij hoorde haar grinniken. ‘Zeggen tienduizend papiertjes Stimorol niet genoeg misschien? Weet je nog dat het onze favoriete smaak was?’ ‘Heb jij Dominique neergeschoten?’, vroeg Wilfried opnieuw, luider deze keer. ‘Ja,’ zei de vrouw kortaf. ‘Gaat ge me nu arresteren, Hoofdinspecteur?’ Hij zag hoe ze haar armen voor zich uit strekte. ‘Of mag dat niet van uw bazen, hm, wegens obstructie van het onderzoek?’ Ze liet haar armen zakken. Hij keek niet begrijpend naar de vrouw voor hem op het bankje. ‘Waarom?’, vroeg Wilfried zacht, ‘Waarom Dominique? Heeft hij u iets misdaan?’ Ze grinnikte. ‘Nee,’ glimlachte ze, ‘maar gij wel.’ Ze stond op. ‘Of dacht je dat een meisje van zestien niet zwanger kan worden, misschien?’ Ze liep naar hem toe. ‘Al achttien jaar zit ik opgescheept met een kind dat ik eigenlijk niet wou. Maar wat kon ik anders? Ik had geen geld voor een abortus, en mijn ouders hadden mij al buiten geschopt toen ze hoorden dat ik met een jongen geslapen had. Tja, je bent Christen of je bent het niet, hè, dat zeiden ze altijd. Negen maanden later zat ik met een kind. Gelukkig had ik een aantal vrienden die er samen met mij voor wilden zorgen, anders had ik niet eens mijn middelbare school af kunnen maken. Ik ben zelfs begonnen aan het OPAC. Maar goed, van zodra ik er achter kwam dat een job als politieagent niets voor mij was, ben ik weggegaan. Mja, ik heb goede herinneringen aan mijn afscheidsfeestje.’ ‘Je hebt me gewoon gebruikt,’ zei Wilfried geïrriteerd, ‘allebei de keren.’ ‘Ja, mag ik ook eens?’, zei Pascale zuchtend, ‘Je hebt me meer dan genoeg misérie bezorgd. Je hebt immers nooit iets van je laten horen als het op de opvoeding aankwam.’ ‘Je hebt me er nooit iets over gezegd,’ zei Wilfried zacht; zijn stem trilde. ‘Ik wou dat je het zelf zou ontdekken,’ beet Pascale hem toe. ‘En ik ben erin geslaagd geloof ik, je bent inmiddels beste vriendjes met haar.’ Wilfried schrok. ‘Háár?’ ‘Misschien moet je er ook even bij vertellen dat je zelf ook nooit veel om dat kind gegeven hebt,’ klonk het plots. Wilfried keek om, en zag Amélie staan. ‘Het is niet eerlijk dat je hem de schuld geeft. Hij wist het niet eens. Zoals nog wel meer mensen in dit gezelschap.’ Zij en Wilfried keken mekaar kort aan. ‘’t Maakt hoe dan ook niet meer uit,’ ging Pascale verder, waarop Wilfried haar richting op keek. ‘Hij heeft geboet.’ Ze gaf hem een polaroid foto, waarna ze weer ging zitten. Wilfried keek geschrokken naar wat er op de foto stond. ‘Dominique…’ Hij keek kwaad op. ‘Wat heb je gedaan?’ Pascale grinnikte opnieuw. ‘Ik heb mijn werk afgemaakt. Op de foto leefde hij nog, dus als herinnering kan het misschien wel tellen.’ Hij voelde de woede opkomen; hij trok zijn pistool en richtte het op Pascale. ‘Wat heb je gedaan?’, schreeuwde hij; de tranen liepen over zijn wangen. ‘Ohh, beetje insuline,’ zei Pascale, die weer opstond en rustig een sigaretje op stak, ‘Een of andere juffrouw had haar karretje met medicijnen op de gang laten staan. Mja, ze maken het tegenwoordig wel heel makkelijk om iemand te vermoorden.’ Wilfried grijnsde. ‘Wat je zegt.’ In één soepele beweging haalde hij de trekker over.

***

Langzaam liet ik mijn armen naar beneden zakken. 

Ik hoorde hoe mijn pistool op de grond viel. En hoe sirenes dichterbij kwamen. 

Een paar tellen later voelde ik een hand op mijn schouder. ‘Ik heb de politie gebeld. Leek me het beste.’ Ik keek om. ‘Ça va,’ zei ik, maar ik weet niet zeker of ik het meende. Want zodra ik weer recht vooruit keek, zag ik wat ik gedaan had. De voegen tussen de kasseien vulden zich met bloed. 

Ik hoorde en zag een aantal agenten dichterbij komen. Ze schreeuwen dat ik me moest overgeven. Ik kon niet. Ik was te beduusd. Voor ik het door had, werd ik zo’n beetje getackeld en viel ik op de grond. Ik hoorde en voelde hoe de handboeien zich om mijn polsen sloten. ‘Neem haar ook maar mee voor verhoor,’ zei een stem. 

Ik werd staande getrokken en in een combi geduwd. Tien minuten later zat ik in de verhoorkamer.

‘Amélie Devriendt, geboren op 15 september 1990, kent u haar?’ De agent roerde verveeld in zijn koffie. Ik knikte. ‘Ze is mijn dochter, naar het schijnt.’ De agent zuchtte. ‘Wij zijn omstreeks middernacht door haar gebeld. En daarjuist toonde ze ons deze foto’s.’ Hij legde een aantal polaroids voor mijn neus. ‘Wie is deze man?’ ‘Mijn verloofde,’ zei ik direct. Ik boog voorover. ‘Kijk hè…,’ begon ik, terwijl ik op zijn borst keek welke rang de agent voor mij had, ‘brigadier, ik wil u best alles vertellen, maar ik zou graag eerst weten hoe het met hem is. Dan weet ik of ik ons huwelijk of zijn begrafenis moet gaan plannen.’ 

***

Wezenloos staar ik voor me uit. 

Mijn hoofd is leeg. En het zit ook nog potdicht. Geen enkel gevoelletje, geen enkel emotietje, geen niksje, níks lijkt tot mij door te dringen.

Het is alsof de hele wereld om mij heen is weggevallen. Gewoon, boem, weg, niks. Alsof die hele wereld nooit heeft bestaan, alsof die nu vanaf nul moet worden opgebouwd. Het gekke is dat ik weet heb van een wereld die nu dan dus gewoon-boem-weg-niks is. Ik weet nog hoe het vroeger was, toen die wereld nog niet niks was. En nu is dat weg.

Ik wil helemaal niet dat het weg is!

Dus de wereld moet volgens anti-gewoon-boem-weg-niks worden héropgebouwd. 

Gewoon-boem-tadaa-iets, ofzo.

En ik blijf staren. Staren naar niets. Er is niets om naar te staren. Mijn wereld is verwoest en maakt voorlopig geen aanstalten om even teruggewoonboemt te worden. Mijn wereld is verbannen naar een plaats hier ver vandaan, en mag bijgevolg dus niet meer terugkomen. Het zoek-‘t-maar-lekker-uit-leven.

Mijn hoofd is leeg. 

Op één ding na.

Mijn hoofd draait stiekem op volle toeren. Het beveelt mijn lichaam vanalles, maar mijn lichaam luistert niet. Mijn hoofd raakt opgefokt, en wordt kwaad op mijn lichaam. Maar mijn lichaam luistert niet. En het zal voorlopig ook niet luisteren.

Het is verdoofd. 

Verdoofd.

Verdoofd door het verdriet dat mijn hoofd eigenlijk moet beginnen verwerken. Maar mijn hoofd heeft de gestresseerde sorry-geen-tijd-mentaliteit.

Fuck off met je sorry!

Ik lees ‘Ga nooit weg’ van Toon Hermans voor op de automatische piloot. Ik dwing mijn hoofd om plaats te maken voor de betekenis die elke zin voor mij heeft, hoe dichtbij het voor mijn gevoel bij mijn werkelijkheid staat. Want dat gedicht is het einde van de wereld zoals ik haar gekend heb. 

Die eerste dagen waren op z’n zachtst gezegd klote. Eerst besefte ik het niet goed dat er iets miste in mijn leven, maar langzaam drong het tot mij door dat Dominique écht weg was, en nu nooit meer terug zou komen. 

***

Ik voelde hoe hij zachtjes in mijn oorlel beet.

Al minstens een half uur lag ik naar het plafond te staren. En hij had het niet graag als ik niets zei…, al had hij zelf ook al een halfuur niks gezegd. Hij lag daar maar, met zijn hoofd op mijn borst. Ik weet niet waar hij aan dacht, maar ik dacht aan de nachtmerrie die ik had gehad. Ik besloot om te vertellen waar de droom over ging, maar ook om het uit te stellen tot de volgende dag. Ik bedacht iets anders om te zeggen.

‘Het plafond moet echt eens geschilderd worden. ‘t Is helemaal verkleurd...’

Waarom weet ik niet, maar ik had even behoefte om direct te zeggen wat ik dacht. Normaal hou ik zoiets voor me, ik schrijf het op een papiertje dat dan vervolgens minimaal twee maanden door het huis zwerft om dan weggegooid te worden. En dan komt er na een tijd weer zo’n moment dat ik naar het plafond lig te staren, dat ik wéér zeg dat het verkleurd is en nodig geverfd moet worden. Ik vermoed dat ik nu onderhand al een jaar bezig ben over die verf. 

‘Doe wat je niet laten kunt.’ 

Ik hoor een lichte spot in zijn stem. Hij is duidelijk niet bereid om te helpen met verven. ‘Fijn dat je zoveel geeft om ons plafond,’ zei ik lachend. Hij hief zich op en gaf mij een zoen. ‘Ik ga mij douchen,’ zei hij, ‘kom je ook zo?’ Ik knikte. ‘Dan kunnen we Amélie uit haar nest gaan trekken om onze verjaardag te vieren.’ Ik knikte opnieuw. ‘Ik kom zo.’ Hij gaf mij opnieuw een zoen en stapte toen uit bed, en liep ongegeneerd door naar de douche. Ik vreesde eerst nog dat Amélie nog half slapend op de gang liep om zich ook te gaan douchen, en ineens zou beginnen gillen, maar daar had ik mij in vergist. Ze was waarschijnlijk laat thuis gekomen. ‘En vergeet je medicijnen niet!’, riep ik nog. ‘Je insuline!’ Er kwam geen reactie; dus waarschijnlijk had hij het niet gehoord.

Ik rekte me uit. Eigenlijk wilde ik nog even blijven liggen, maar ik hoorde de badkamerdeur al weer open gaan. ‘Wilfried, kom je?’, hoorde ik hem vragen Ik glimlachte, sloeg de lakens van mij af en liep de slaapkamer uit. ‘Ik kom, Dominique, ik kom.’

 

Dit verhaal is geschreven door June

Vorige Start Omhoog
* ©©©©© Alles op deze site is Copyright van de eigenaar en mag dus nergens anders geplaatst worden ©©©©©

*