Tweeënhalve dag

‘Blijven puffen, mevrouw, blijven puffen.’ De vrouw keek naar haar man, die zo goed als hij kon zat mee te puffen. ‘Allez, Dora, puffen!’, zei hij tussen twee pufjes door. De vrouw zuchtte vermoeid. ‘Ik hou het niet meer, dokter, ’t moet er nú uit!’ Nu was het de beurt aan de dokter om te zuchten. ‘Mevrouw, U hebt nog geen volledige ontsluiting, als u nu perst kan het gevaarlijk zijn voor uw kindje.’ ‘Luister nu maar gewoon,’ zei de man, die vergat dat hij ‘moest’ puffen. De vrouw gilde. ‘Da’s een perswee,’ zei de dokter tegen zijn assistente. ‘Niet persen mevrouw.’ De vrouw keek verbaasd op. ‘Maar u zei perswee…?’ ‘Niet persen,’ herhaalde de dokter. ‘U mag pas persen als ik dat zeg. U hebt nog geen volledige ontsluiting.’ De man zat weer geconcentreerd te puffen. ‘Alfred, ík moet bevallen hè, niet gij!’, zei de vrouw geïrriteerd tegen haar echtgenoot. Deze laatste persoon stopte direct met puffen. ‘Jajaja,’ zei de vrouw ongeduldig. ‘Helpen. Ge wilt alleen maar helpen. Ge zou beter mijn hoofd deppen.’ De man deed direct wat hem was opgedragen. ‘Danku,’ zei de vrouw direct daarna. ‘Sorry als ik stoor,’ zei de dokter plots, ‘maar u hebt volledige…’ Hij kon zijn zin niet afmaken: de vrouw begon opnieuw te gillen. ‘Persen!’, riep de dokter, die zijn assistente liet schrikken door de plotselinge toename van decibels. Opnieuw gegil. 

Op vijf februari negentien vijfenzeventig werd in het kleine Ninove kleine Wilfried Pasmans geboren. Kleine ik dus. Ik was een schreeuwerig ventje, gevoelig voor het minste geluid, ik kon niet alleen zijn, en, waarschijnlijk omdat ik midden in de nacht geboren ben, sliep ik moeilijk lang door. Mijn mama was zot op mij, maar ze vervloekte me soms, puur en alleen omdat ze zolang en zo vaak haar bed uit moest om mij terug in slaap te komen wiegen. ‘Het wordt geen voetballerke,’ zei ze altijd, ‘volgens mij gaat hij iets artistieks doen, zingen of schilderen of iets dergelijks.’ Ze kreeg geen gelijk. Ik hield wel van zingen, en tekenen kon ik ook wel een beetje, maar ik had het meer voor boomhutten bouwen en de poppen van mijn zusters onthoofden met mijn ultrasterke supersonic robot. Ik was avontuurlijk, nieuwsgierig, ik zocht het gevaar zo veel mogelijk op. Zo hing ik geregeld ondersteboven aan een boom. Mijn moeder was daar niet zo blij mee: ze maakte zich alsmaar meer zorgen om mij en mijn leven. Ze vreesde dat het buitenspelen ooit nog eens mijn dood zou worden. 

Rond mijn achtste levensjaar zat ik in mijn cowboy-periode: pang-pang-pangend achter de gemene indianen aanrennen met een plastieken revolvertje met rode pijltjes die je overal kwijtraakte. Mijn moeder bleef maar nieuwe kopen. Tot ze een verontrust telefoontje kreeg van mijn leraar van het vierde leerjaar: hij vond door de hele school pijltjes, rode pijltjes, en hij vroeg zich af of die van mij waren. Ja dus. Sindsdien heeft mijn moeder nooit meer rode pijltjes gekocht voor dat pistool. Ik was daar toen helemaal kapot van. 

Deze pangpang-periode duurde bij mij heel lang: pas toen ik op de middelbare school mijn diploma kreeg, werd ik volwassen, althans, zo voelde het. Ik had eindelijk mijn periode van kind-zijn achter mij gelaten, en de wondere wereld van de volwassenen lag voor mij open. Op die rode pijltjes en mijn zusters’ poppen na, was ik altijd redelijk anti geweld en anti misdaad geweest, dus ik besloot dat ik een soort Superman wilde worden. Mijn ouders overtuigden mij al op mijn elfde ervan dat er geen opleiding was tot Superman. Superman was de enige Superman, en hij had het te druk om anderen op te leiden tot Superman. Ik was diep, diep teleurgesteld…, in Superman. Hij was dan toch niet zo super als zijn naam deed geloven. 

Dan maar iets minder heldhaftig. Mijn geëditte droom: politieagent worden. Ohh, wat klonk dat mooi: commissaris Wilfried Pasmans, hoofdcommissaris, …, ik zag het al helemaal voor mij. Stiekem hoopte ik dat de wetenschap tegen die tijd zo ver zou zijn, dat ik net als Superman door de lucht zou kunnen vliegen. Dat was de droom die ik in mijn droom droomde. Plots besefte ik dat ik in mijn Peter Pan-periode zat: het kind in mij zou nooit opgroeien. Ik schaamde mij dood; ik was verdomme al bijna negentien! Als reactie daarop schreef ik mij direct in bij de politieschool; ik wilde af van Peter Pasmans. De ontgroeningen op het OPAC waren volgens de geruchten zo erg dat iedereen direct de volwassenheid in werd gesmeten. Ofwel flikkerden ze door het raam naar buiten en kozen ze een andere opleiding, ofwel waren ze sterk genoeg om te blijven. Als je dié test zou overleven, als je sterk genoeg was, als je jezelf had bewezen, was je in feite al een politieman. Enkel het papierke en de vaardigheden ontbraken nog. 

Enkele weken na een hele reeks van fysieke en psychologische testen, kreeg ik bericht van het OPAC. Ik mocht aan de opleiding beginnen, men dacht dat ik sterk genoeg was om de opleiding succesvol te kunnen voltooien. Tien op tien…, ongeveer. Ik begon direct aan het oefenen van mijn houding; ik moest toch een beetje overkomen alsof ik serieus was in het volgen van de opleiding. Op mijn eerste dag was er niet veel meer van die houding terug te zien: ik was ongelofelijk zenuwachtig, en ik zag heel erg op tegen de kennismaking met mijn medestudenten, vooral met de hogerejaars. We kregen als beginnelingen allemaal een soort mentor uit een hoger jaar, om ons een beetje wegwijs te maken doorheen de school en dergelijke. Mijn mentor was Sven De Coninck, derdejaars. ‘We zullen er het beste van gaan maken, hè!’, zei hij dolenthousiast. ‘De komende drie weken trek je met mij op.’ ‘Joepie…,’ zei ik zacht, ironisch dolenthousiast. 

In die eerste weken leer je vaak direct de klappen van de zweep kennen: je mentor zorgt er wel voor dat je minimaal één keer betrapt wordt terwijl je bezig bent met iets wat eigenlijk verboden is. Op het moment van betrappen is je mentor natuurlijk nergens te bekennen. Vervolgens mag je jezelf uit de naad gaan werken in een soort legerachtige training. 

Het was de derde week, woensdag. Als ik het zo van mijn klasgenoten hoorde, was ik er nog redelijk goed vanaf gekomen. Het beste eigenlijk; ik was nog niet opgepakt door de interne politie, zoals wij de schoolleiding noemden. ‘Maar helaas,’ zei Bram, een van mijn klasgenoten, ‘heb je nog twee en een halve dag te gaan. Ik zou je maar voorbereiden op het ergste.’ 

Twee uur later liep ik het grasveld op. ‘Allez, Pasman!’, schreeuwde Dieter Debruyn, de commandant van het strafkamp. ‘Loop eens door!’ Ik liep recht naar hem toe. ‘Het is Pasmans,’ zei ik recht in zijn gezicht, ‘met een s op het eind.’ ‘Jaja, ’t is al goed,’ zei Debruyn. ‘Ga nu maar een rondje lopen, om op te warmen. Het zal nodig zijn.’ 

Drie uur. Drie uur lang heb ik mij in het zweet gewerkt. Het leek een eeuwigheid. Misschien komt dat doordat we geen pauze mochten houden. Nog een geluk dat we af en toe een fles water toegestoken kregen van enkele medeleerlingen die stonden te kijken. Op een gegeven moment had ik het gewoon niet meer, ik kon nog amper op mijn benen staan. Marleen Hendrikx, ook een klasgenoot van mij, kwam naar mij toe. ‘Hier,’ zei ze; ze gaf me een fles water. ‘Volhouden hoor. Ge kunt het wel.’ 

Ik had in de loop der jaren redelijk wat mensenkennis vergaard, dus ik zou vrijwel direct moeten weten wanneer iets niet oké was. Ik had mij vergist in Sven. Ik voelde me flink klote na dit deel van de ontgroening. Dit deel, inderdaad. Er was nog een tweede deel, twee dagen na het eerste. Daar was ik écht ziek van: strippoker. Koude sneeuw onder mijn voeten, gietende regen, koude wind… Tien potjes. Linker schoen, rechter schoen, linker sok, rechter sok, sjaal en muts, jas, trui, T-shirt en een eventueel hemd, broek, en als laatste moest alles uit. De persoon die het tiende potje verloor, moest, naast zichzelf ontdoen van alles wat hij nog aanhad, drie volledige rondes lopen over het grasveld juist tegenover de kamer waar de studentenraad op dat moment aan het vergaderen was. Iets gênanter kón niet op deze school. Er zouden ongetwijfeld foto’s van worden gemaakt en door de hele school worden opgehangen. Een kleine vermelding in het infobulletin (lees: een foto die de volledige voorpagina zou in beslag nemen) zou ook niet heel moeilijk zijn. Bovendien stonden Sven’s vrienden al klaar om een uitgebreid verslag over de ‘battle’ te typen. Ik zag het na negen keer verliezen dan ook somber in. ‘We zullen alvast maar beginnen aan het verslag zeker?’, lachte Björn, een van Sven’s volgertjes. Sven grinnikte. ‘Goh Wilfried, ik hoop echt dat ge geen kou vat.’ Hij nam een slok van zijn warme koffie. ‘Da’s heel sympathiek,’ zei ik, ‘maar wie laatst lacht, best lacht.’ Ik lachte bij het zien van het verbaasde gezicht van mijn tegenspeler en spreidde triomfantelijk mijn kaarten over de tafel uit. ‘Royal flush. Ik hoop echt dat ge geen kou vat.’ Ongeveer twintig ogen staarden mij verbaasd aan. De scheidsrechter slikte een keer. ‘Game tien is gewonnen door Wilfried…, Sven zal het veld op moeten…’ Moeizaam drukte hij het verdict uit zijn keel. Terwijl Sven zich langzaam uitkleedde, trok ik snel mijn kleren weer aan en ging naar binnen. Terwijl ik de leden van de studentenraad liet weten dat ze even naar buiten moest kijken, sjokte Sven langzaam het grote veld op. Ikzelf ben niet blijven kijken; het was mooi geweest en ik had nood aan een verwarming, een dik dekbed en een tas gloeiend hete koffie. De volgende dag werd ik verkouden wakker. Het duurde bijna drie weken voordat mijn neusholten weer enigszins leeg waren. 

Twee maanden nadat ik begonnen was, leerde ik haar kennen. Ze was bijna een jaar jonger dan ik, maar zo gedroeg ze zich niet. Zij leek de wijsheid zelve. Zoals zij sprak over wat ze al had meegemaakt, ik kon ernaar blíjven luisteren. Zij was…, mysterieus, charmant…, zij was alles. Zij was perfect. En ze leek net zo perfect bij mij te passen. Ik zag haar graag, zo graag dat ik haar voor mij wilde winnen. Toen ik dat eenmaal had besloten, wist ik direct dat het nog moeilijk zou gaan worden. Zij leek immers geen interesse voor mij te hebben. Maar ik moest op de een of andere manier in contact komen met haar, liefst op de ‘normale’ manier; de briefje-in-locker-methode heb ik altijd als flauw en niet relevant beschouwd. 

Na veel proberen lukte ‘t me om ons eerste échte gesprek te beginnen. Ik had me dagen voorbereid op dit gesprek en het duizend maal in mijn hoofd gevoerd, maar alles ging anders dan gepland. Het klinkt misschien cliché, maar zo voelde ik het. Ik had een kus voorbereid, maar die kwam niet. ‘Helaas, volgende keer beter’, de naïeveling. Ik hoopte het zo. Maar ook bij het tweede gesprek gebeurde er niets. Net zoals bij het derde, vierde, vijfde, zesde, … Na drie maanden dacht ik al redelijk wat voor elkaar gekregen te hebben. Ze vond me lief, en dat had ze ook zo gezegd, ‘Je bent lief’. Wauw, wat flipte ik toen ze die drie kleine woordjes uitsprak. Ik was stapel op haar. Toen gebeurde iets dat ik héél graag wilde: ze wilde wat afspreken. Een afspraakje, een échte date! Mijn geluk kon niet meer op. 

Later die week zaten we samen aan één tafel, in een luxe restaurant. Het diner zou me een rib uit mijn lijf kosten, maar dat maakte me niets uit als ik haar na die avond mijn lief kon noemen. ‘Je weet,’ begon ze onzeker, ‘je weet dat ik U een hele toffe vind, hè.’ Ik knikte braaf; vanbinnen was ik haar al aan het zoenen. Eindelijk kwam de liefdesverklaring waar ik zo lang op gehoopt had. ‘Je bent echt een van mijn beste vrienden,’ ging zij verder. ‘Ik wil U zo graag om advies vragen.’ En daar ging mijn droom. Ze zag me als een vriend, een vriend! Ze wilde geen liefde, enkel vriendschap. Ze wilde me om advies vragen. Ze was zó verliefd op iemand, maar ze wist niet hoe ze dat moest aanpakken. Waarom dat ze dat aan mij vroeg weet ik ook niet, maar ik was in de eerste plaats verbaasd. Ik voelde me beet genomen. Al die tijd had ik steeds meer het idee gehad dat de liefde wederzijds was, en nu, juist op het moment dat ik het honderd procent zonnig inzag, verkondigde zij dat ze niet verliefd was op mij maar op een ander. En bedankt. Ik heb betaald en ben weg gegaan. Ik had het niet meer. 

Ze heeft een paar keer geprobeerd om uitleg te krijgen. Bij de derde keer gaf ik haar een eerlijk antwoord op haar vragen: ik was verliefd op haar, zij niet op mij, ik verdrietig, einde verhaal. Ze vond mij onredelijk, dat ik daarom kwaad was op haar. ‘Ik ben niet kwaad,’ zei ik, ‘Ik ben teleurgesteld. Ik voel mij bedrogen. … Ik zag het echt zitten, zeker toen jij vroeg om uit eten te gaan, maar in die paar seconden heb jij alles kapot gemaakt.’ ‘Doe niet zo flauw,’ zei zij. ‘Ik doe niet flauw, dat is de waarheid,’ zei ik luid. ‘Kom alstublieft niet klagen. Je had moeten inzien dat ik meer voor U voelde dan alleen vriendschap. Ik heb U vaak genoeg een hint gegeven.’ ‘Maar…,’ zei zij, met een duidelijke krop in haar keel, ‘je zegt dat je verliefd op me bent…’ ‘Wás,’ zei ik er luid doorheen. ‘Ik wás verliefd op u. Nu niet meer. Daarvoor is te teleurstelling te groot.’ ‘Maar iedereen zegt dat gij niet op vrouwen valt,’ zei zij, in mijn verbaasde ogen kijkend. ‘Ik weet niet waar je dat vandaan hebt gehaald, maar het zijn leugens,’ zei ik, niet luisterend naar wat zij verder zei (‘en ik dacht dat gij gewoon vriendschap wilde. Ik dacht u dat te geven, op de juiste manier.’), ‘ik homo, pfff, dat is onmogelijk.’ Ze kwam dichter staan. Ik voelde allerlei dingen door elkaar: woede, verdriet, verliefdheid, … Alles wat je op zo’n moment kan voelen. En toen zei ze iets…, iets wat ik niet direct begrepen heb: ‘Ge moet niet bang zijn voor de wereld, als gij niet helemaal zijt zoals een ander, …, want ergens heb ik het gevoel dat het geen leugens zijn.’ Onzeker wuifde ik het weg. ‘Ik wil het niet horen Valérie. Het zíjn leugens.’ 

Ze had gelijk hoor, al had ik het op dat moment nog niet door. Nouja, dat klopt eigenlijk niet; op het OPAC verdrong ik het, maar iedere jonge gast denkt daar wel eens over na. Zeker op momenten dat ze geen vriendinnetje hebben. Zoals ik dus. En als ik even eerlijk moet zijn: toen ik op ’t OPAC begon, was ik nog zo maagd als een pasgeboren baby’ke… Maar het is toen vrij snel gegaan: nauwelijks een maand na Valérie was ik opnieuw verliefd, en niet lang daarna kwam ‘de nacht’, zoals ze dat op ’t OPAC noemden… Maar ook zij – Anne - was niet de ware. Dat bleek al vrij snel: madam had een ander gevonden, en die kuste ze rustig in de kantine, voor mijn neus! Die schaamde zich duidelijk voor niets. Pas later ontdekte ik dat ze niks had gemeend van die hele vrijpartij. Een weddenschap tussen de meiden: wie het heilige groentje Pasmans het bed in kreeg, kon rekenen op een flink bedrag als beloning… 

Ik bleef vrijgezel, de rest van mijn politieschoolperiode, maar daar heb ik niet echt onder geleden. Ik heb mij zo, in tegenstelling tot sommige anderen, volledig kunnen concentreren op mijn studie. Ik was een van de weinigen die zich na die OPAC-jaren ook werkelijk agent mocht noemen. Op het OPAC zelf noemden ze mijn jaar een ‘slecht jaar met enkele uitzonderingen’. Die ‘enkele uitzonderingen’ noemde Wilfried Pasmans, aangezien ik vér boven alle anderen uitstak. 

Om te vieren dat ik nu zó dicht bij het Superman-zijn was gekomen, ging ik met een stel klasgenoten op café. Na een paar pinten raakten we aan de praat met een groepje andere gasten, die ook iets te vieren hadden. Wát weet ik nog altijd niet, ze waren te zat om het nog uit te leggen. We hebben de hele avond met die gasten opgetrokken. Ik was zo dronken dat ik op een gegeven moment niet meer wist wat er allemaal gebeurde. We gingen met z’n allen de straat op, herrie maken. Enkele uren laten werd ik wakker in een cel. Dju, we waren opgepakt. Voor nachtlawaai. Ik schaamde mij dood. Ik was kwaad, wóést op mezelf. ‘Ik had nooit moeten meegaan, hè.’ Ik schopte tegen de celdeur. ‘Klootzakken!’ Ze hadden mij gewoon dronken gevoerd, althans, zo voelde het. ‘Klootzakken!’ Ik wilde opnieuw tegen de deur schoppen, ik schopte wel, maar ik schopte tegen het scheenbeen van een agent. De agent die enkele jaren later mijn vaste werkpartner zou worden. Raymond Jacobs. Ik bood mijn excuses aan. ‘Aanvaard,’ zei Raymond, die geen centje pijn leek te hebben, en dat terwijl ik toch redelijk hard schopte. ‘En nu meekomen. We willen ook van u horen wat, waarom en hoe.’ Eenmaal boven, in de eerste de beste verhoorkamer die vrij was, werd ik uitgelachen door de twee anciens voor mij. ‘Een flik? Gewéldig!’ Ik legde een verklaring af (voor zover ik iets kon verklaren), ondertekende het uitgetypte exemplaar en vertrok naar huis. Daar ben ik onder een ijskoude douche gaan staan, als straf voor mijn zonden. Het heeft mij goed gedaan. Ik herinnerde mij alles weer, en daar was ik blij om. Ik was minder blij om wát ik mij herinnerde: na het café zijn we de straat op gegaan, lawaai gemaakt, naar een vage hoerentent gegaan, weer terug de straat op en wéér lawaai gemaakt. Een vage hoerentent…, met dansen en al… Ik heb moeten overgeven toen ik eraan terug dacht. Ik had mij daar compleet voor schut gezet, al had ik dat op dat bewuste moment niet in de gaten. We hadden een tijdje naar het dansen zitten kijken, toen een van de jongens goesting had om zelf ook nog wat te doen, als ge begrijpt wat ik bedoel, en op de één of andere manier spoorde hij de rest aan hetzelfde te doen. Ik deed het ook, onder het motto follow the leader. ’t Is nogal…, gênant om te zeggen, maar het ging niet. Eerst dacht ik dat het door de alcohol kwam - ik was tenslotte niet gewend zoveel in één keer te drinken - maar ik ging daar steeds meer aan twijfelen. Had Valérie dan toch gelijk gehad? Ik worstelde er ongelofelijk hard mee. Ik was geen homo, ik kón gewoon geen homo zijn. Dat mag niet. Zwaar katholiek, je kent het wel. Mijn ouders zouden mij vermóórden als ze het zouden te weten komen. Als ik ze niet voor zou zijn tenminste. 

Als afleiding zocht ik een baan. Toevallig hadden ze iemand nodig in Gent, dat scheelde mij een hoop geld omdat ik dan niet moest verhuizen. En daar kwam ik de agent, die mij enkele maanden eerder had verhoord, terug tegen. ‘Kennen wij mekaar niet?’, vroeg hij, toen Deprez ons aan elkaar voorstelden. ‘Euh…,’ was alles wat ik kon zeggen. Raymond wachtte mijn antwoord niet af. ‘Raymond Jacobs dus,’ zei hij, ‘maar zeg maar Raymond.’ Hierop volgden enkele jaren van keihard werken; ik probeerde zoveel mogelijk over te werken. Want als ik thuis was, kwamen die afschuwelijke gedachten weer in mijn hoofd. Ik vócht er tegen, tot ik er letterlijk bij neerviel. Ik was gewoon niet sterk genoeg. 

Halverwege 2000 zag ik Dominique voor het eerst. We moesten in de Holiday Inn Expo zijn voor een zaak – een gewurgde madam in een van de kamers – en hij wees ons de kamer. Ik heb het daarna direct verdrongen, maar ik moet ‘da’s ne schone jongen’ of iets dergelijks gedacht hebben. Pas toen ben ik een beetje los gekomen van mijn geloof. Wat zou het als ik homo ben? God heeft het dan zo bedoeld. Het is Zijn eigen schuld als Hij iets heeft tegen homoseksualiteit, want Hij heeft mij zo gemaakt. Ik heb mij aan die mening opgetrokken. Pas halverwege 2001 had ik alle mijn moed bij elkaar gevonden om mij in het wereldje te begeven. 

Ik stond stijf van de zenuwen toen ik die discotheek binnenging, ik wist niet of ik me ooit op mijn gemak zou voelen. Na enkele seconden besloot ik mij om te draaien en naar buiten te lopen, ondertussen acterend dat ik telefoon had en niets kon verstaan. Ik draaide mij om terwijl ik mijn gsm uit mijn broekzak viste – volledig volgens plan natuurlijk – maar zag ineens een bekend gezicht verschijnen: Dominique. ‘Wilfried was het toch hè?’, vroeg hij. ‘Wilfried Pasmans, van de politie, ja toch?’ Ik knikte. Ik was verbaasd dat hij mij nog kende, verbaasd dat juist híj hier was. ‘Dominique De Leeuw, Holiday Inn Expo, kamer tweevijftig,’ zei ik snel; natúúrlijk had ik dat onthouden. Dominique knikte. ‘Ik heb u hier nooit eerder gezien. Ge komt toch niet van hier tegenover, hè?’ ‘Hier tegenover?’, vroeg ik, niet wetend wat er hier tegenover zat. ‘Ik hoor het al,’ zei Dominique met een glimlach. ‘Eerste keer zeker?’ Ik knikte voorzichtig. ‘Allez, mijne ook,’ zei Dominique, waarna hij glimlachte. ‘Ik ben hier met een vriendin die hier wel vaker komt. Daar.’ Hij wees naar de bar, naar een meisje slash jonge vrouw van ergens begin twintig. Even later kwam ze onze kant op met twee flesjes cola. ‘Amaai Dominique, nu al sjans?’, zei ze, terwijl ze mij een beetje leek te keuren. ‘Als dat is wat je wilt geloven,’ zei Dominique, die de flesjes van haar overnam. Één gaf hij er aan mij. Nu ze haar handen vrij had, had ze de mogelijkheid om zich voor te stellen. Ze stak dan ook direct haar hand naar mij uit. ‘Ik ben Dianne,’ zei ze, ‘een goeie vriendin van Dominique.’ We schudden elkaar de hand. ‘Wilfried,’ zei ik, ‘aangenaam.’ 

De hele avond heb ik met hen opgetrokken. Ik denk dat dit precies was wat ik nodig had, een soort van warm welkom, een soort van…, steun. Ik voelde mij totaal niet de vreemde eend in de bijt, precies alsof ik Dominique en Dianne al jaren kende. Ze waren zo sympathiek, ik had echt het gevoel dat ik mij niet moest schamen om wie of wat ik ben. We hadden het écht tof met z’n drieën. We wisselden telefoonnummers uit en spraken af om de week erop iets te gaan eten. ’t Was fijn om weten dat ik er niet helemaal alleen voor stond. 

Zoals afgesproken verschenen we de week erop alledrie om half zeven ‘s avonds in ’t Pakhuis. Het was rustig, ideaal voor een fatsoenlijk gesprek. Dianne vond dat duidelijk ook. ‘Zeg eh…, Wilfried,’ begon ze twijfelachtig, ‘hoe eh…, hoe ben jij erachter gekomen?’ Ze zat recht tegenover mij, haar helderblauwe ogen keken mij vragend aan. ‘Goh…,’ begon ik, ‘ik weet niet. Dat is geleidelijk gegaan.’ Dianne grinnikte zachtjes. ‘Die heb ik vaker gehoord.’ Ik keek haar verbaasd aan. ‘Ik vraag dat aan iedereen die net nieuw is,’ zei Dianne glimlachend. ‘Beschouw het als een soort…, ingangsexamen.’ ‘Ingangsexamen?’, vroeg ik. ‘Waar is dat voor nodig?’ ‘We hebben veel infiltranten gehad van een anti-holebi-beweging,’ ging Dianne verder. ‘Échte jeanetten durven niet direct te zeggen hoe ze het ontdekt hebben, infiltranten verzinnen direct dat ze niet opgewonden geraakten van de madammen in de Playboy. Maar dat moet je maar niet verder vertellen…’ ‘Ik hou mijn mond,’ zei ik. Er viel een korte stilte. Dianne leek mij terug te observeren. ‘Hoerenkot zeker?’, vroeg ze plotseling. Ik was verbaasd. ‘Hoe weet jij dat?’ ‘Vrouwelijke intuïtie,’ glimlachte ze. ‘Dianne heeft véél vrouwelijke intuïtie,’ grapte Dominique. ‘Ze was de eerste die twee minuten na onze eerste ontmoeting vroeg of ik ooit al een vriend had gehad.’ Dianne haalt haar schouders op. ‘Ik ben soms gewoon een beetje een flapuit… Ik zeg nogal snel wat ik denk.’ Er viel opnieuw een stilte. ‘En gij?’, vroeg ik aan haar. Dianne had deze vraag duidelijk niet verwacht. ‘Goh…,’ begon ze, ‘ik weet niet. Dat is geleidelijk gegaan.’ Ze glimlachte. ‘Nee, ik was daar gewoon al vroeg mee bezig. Ik hou het er maar op dat ik overal een grote voorsprong heb op anderen.’ Ik keek haar verbaasd aan. ‘Mijn IQ is eh…, ver, vér boven gemiddeld,’ zei Dianne direct. ‘Uit verveling ben ik al vroeg over mijzelf gaan nadenken. Geestelijk zat ik al in de puberteit, terwijl ik lichamelijk nog lang niet zo ver was. Op mijn zestiende had ik mijn eerste relatie…, voor zover je zoiets bij een zestien-jarige een relatie kan noemen tenminste…’ ‘Ze was zeker ook nog ouder dan jij?’, vroeg ik. Dianne grinnikte zachtjes. ‘Spijker op de kop,’ zei ze. ‘Ik was dus zestien, zij net vijfentwintig… Achteraf gezien was ze meer mijn beste vriendin dan mijn lief. Nu nog steeds eigenlijk.’ ‘Jullie zijn nog steeds samen?’, vroeg ik. ‘We weten het eigenlijk niet,’ bekende Dianne, ‘we zweven een beetje tussen vriendschap en liefde in. Maar wij voelen ons daar allebei goed bij, en zolang dat zo blijft is er niets aan de hand. We laten elkaar ook vrij om wél de perfecte liefde te vinden. We gaan nooit samen uit, ik zou jaloers zijn als ik haar met iemand anders zou zien zoenen. We laten elkaar dus altijd weten waar we naartoe gaan.’ ‘En professioneel?’, vroeg ik; ik wilde nu álles weten. ‘Zij is dokter, en ik begin volgend jaar aan het OPAC,’ ging Dianne verder. ‘Het OPAC?’, vroeg ik, ‘ge wilt agent worden?’ Dianne knikte. ‘Dat zit een beetje in mijn bloed, vrees ik. Mijn vader was ooit Rijkswachter, maar zit nu vast wegens moord, en mijn moeder hopt van de lokale naar de federale. Haar huidige vriend doet overigens hetzelfde, alleen dan in tegenovergestelde richting.’ Dianne’s telefoon trilde. Na een vluchtige blik op haar display, schoof ze haar stoel naar achteren. ‘Sorry mannen, deze moet ik even nemen.’ Ze stond op, en liep een paar meter van de tafel vandaan. Dit gaf mij de gelegenheid om even met Dominique te praten. Hij vertelde dat hij vroeg begonnen is met het werk wat zijn vader ook altijd deed: hotelmanagement. Ondertussen deed hij daar een opleiding in en is dan full-time in Gent gaan werken. ‘Heel interessant is het niet,’ zei hij. ‘Voor een deel zal dat ook wel te maken hebben met het feit dat ik niet zo kan vertellen als Dianne…’ ‘Ik heb gewoon veel te vertellen,’ zei Dianne, die haar gsm in haar zak stopte en weer ging zitten. ‘Zeg maar, je vertelde dat je naar het OPAC gaat…,’ ging ik verder, ‘maar…, mag ik vragen hoe oud je precies bent?’ Dianne glimlachte. ‘Je mag dat vragen,’ zei ze. ‘Eind september word ik eenentwintig. Ik heb een tijd geleden besloten om even helemaal niks te doen…’ ‘Wat je helemaal niks noemt…,’ zei Dominique ineens. Ik keek hem verbaasd aan. ‘Ik heb in die periode een kind gekregen, en het moeder-zijn eiste gewoon al mijn aandacht op,’ zei Dianne direct. ‘Maar ze is nu vierenhalf, dus ik heb iets meer vrijaf nu. Genoeg om aan een opleiding te beginnen.’ … Enfin, we hebben de hele avond zitten praten. Geloof het of niet, maar Dianne heeft ook een tijd niets gezegd en ons laten praten. 

Na een tijdje kwamen we al vrij regelmatig bij elkaar over de vloer. Toen ik voor de eerste keer bij Dianne thuis kwam, kwam ik er direct achter dat Dianne’s moeder geen onbekende van mij was, alleen nooit had verteld dat ze kinderen had. Het was Nadine Vanbruane, ooit mijn team-commissaris. Ook haar vriend kende ik: Ben Vanneste, ooit motard in het team. En ook Dianne’s lief…, excuus – ‘lief’ kende ik al: Mihriban Ates. Daar was ik wel enigszins verbaasd om: ik heb nooit ook maar het kleinste vermoeden gehad dat Mihriban lesbisch of bi zou zijn… Ze had daar zelf een mooie verklaring voor: ‘Ik val voor het innerlijk, niet voor de looks of het geslacht.’ Ik heb direct ook Dianne’s dochter Demi leren kennen… Een schat van een meid, echt waar. Precies gelijk haar mama. In veel opzichten. ‘Zijn jullie verliefd?’, vroeg ze toen ze zag dat Dominique en ik naast elkaar gingen zitten. Wij keken eerst elkaar aan, daarna Dianne. Die had haar schouders opgehaald. 

Enkele maanden later hadden we weer afgesproken om te dineren. We hadden het nu meer over recentere dingen, over toekomstplannen, dingen waarover je het hebt met vrienden. Ja, ik beschouwde Dominique en Dianne echt als mijn vrienden, ookal kende ik ze nog niet heel lang. We hadden lol samen. ‘En toen ging hij dus onderuit,’ lachte Dominique. ‘Je had zijn gezicht moeten zien.’ Hij probeerde het gezicht na te doen, waarop we alledrie in de lach schoten. Plots stond Dianne op. ‘Het is ons ma, voor de zevende keer in twee minuten.’ Ze liep een paar meter van de tafel vandaan. We hadden ons een beetje omgedraaid in haar richting; Nadine belt niet zomaar zovaak in zo’n korte tijd. We keken elkaar verbaasd aan toen we Dianne bezorgd vragen hoorden stellen… 

‘Hoe ziek? Daarstraks was ze nog kiplekker!’ 

… maar toen ik eenmaal besefte in wat voor een situatie ik zat, wat voor een misschien wel uníeke kans ik kreeg, was ik allang niet meer bezig met wat Dianne allemaal zei. 

‘Hoeveel graden?’ 

Dominique zat tegenover mij. We keken elkaar diep in de ogen. ’t Klinkt misschien cliché, maar – ondanks dat ze bruin waren en niet blauw als de zee - ik verdrónk in de zijne. ‘Heeft iemand jou ooit gezegd dat jij hele mooie ogen hebt?’ Hij schudde zijn hoofd, glimlachte op de manier die ik later vaker zou zien: brutaal, verleidelijk, ondeugend, …, ik weet niet hoe je zo’n glimlach het beste kan omschrijven. 

‘Heeft ze moeten braken?’ 

Zenuwachtig keek ik opzij naar Dianne. Ze stond geconcentreerd te bellen, met haar rug naar ons toe. Mijn ogen gleden over de rest van het restaurant. Leeg. Dianne slaagde er steeds in om ons uit eten te nemen op een dag dat er geen hond aan denkt om uit eten te gaan. Er was niemand te zien; het personeel dat dienst had die avond, stond aan de bar met elkaar te kletsen, om zo de tijd sneller voorbij te laten gaan tussen dan en het moment dat we eindelijk eens zouden betalen en vertrekken. Ze hadden het zo gezellig dat ze ons eigenlijk niet meer opmerkten. 

‘Is ze verkouden?’ 

Ik keek Dominique terug aan en glimlachte. Vandaag vond ik het niet erg dat er niemand was. Ik heb nooit zo van pottekijkers gehouden. Zeker niet op zo’n moment. Ik bedoel, dit is echt iets waar niemand anders van zou mogen genieten, enkel jij en de persoon tegenover je. 

‘Diarree?’ 

Ik liet mij opnieuw verdrinken in zijn ogen. ‘Awel,’ zei ik. ‘Ge hebt mooie ogen…’ Opnieuw dat lachje. Ik denk dat toen de vonk is overgeslagen. 

‘En gij kunt dat niet alleen aan?’ 

Écht overgeslagen. Ik glimlachte. 

‘Waarom wil ze nu persé mij hebben om tegen haar te zeggen dat ze zielig is en dat ze maar moet roepen als ze iets nodig heeft? Precies alsof ik ben haar slaaf… Dat ben ik overigens ook, haar slaaf.’ 

Ik vreesde dat ik nooit meer boven zou komen, dat niemand mij zou redden van de verdrinkingsdood. 

‘Zeg tegen haar dat ik een afspraak heb, dat ik me ook ne keer wil ontspannen, ne keer géén mama zijn.’ 

Al denk ik niet dat ik dat erg vond. Zijn ogen, zijn lach, … Ik was compleet verkocht. 

‘Zeg ’t haar dan nóg ne keer hè!’ 

We bogen naar elkaar toe. Ik boog bijna te ver, ik kon mijzelf nog net aan de rugleuning van zijn stoel vastgrijpen of ik was op de grond beland. Ik voelde zijn handen zacht tegen mijn borst duwen en schoot direct in de stress: ik wist niet wat me overkwam, ik dacht dat hij mij afwees. 

‘Pfff…’ 

Ik wilde al terug normaal gaan zitten, toen ik merkte dat hij mij voorzichtig aan mijn overhemd naar zich toe trok en ik zijn lippen tegen de mijne voelde. Het werd voor mij duidelijk dat zijn handen daar niet waren om mij af te wijzen, maar om mij op te vangen als ik echt van mijn stoel zou glijden. 

‘Ik zie haar graag hè, maar soms haat ik ’t om een kind te hebben.’ 

Zijn lippen waren zacht, smaakten nog wat naar de wijn waar hij een halve minuut eerder een slok van had genomen. Terwijl hij zijn hand naar mijn kaak schoof, opende hij mijn mond subtiel zijn lippen. Zijn tong zocht zijn weg naar de mijne, en omgekeerd. 


‘Oké… Okééé.’ 

Plots herinnerde ik mij iets wat Dianne een keer had gezegd: ‘Meneer beweerde een keer dat hij een God was als het op zoenen aankwam. Ik geloofde hem niet. Hij vroeg toen zonder blikken of blozen of ik ’t eens wilde proberen. Ik heb ’t dan maar eens geprobeerd en hij had déju gelijk. Goddelijk.’ Ze had geen woord overdreven. … Al heb ik geen idee of het waar was wat ze vertelde… 

‘Ik kom eraan… Tot zo.’ 

Dianne draaide zich om, en zag ons zoenen. Haar kennende moet ze even hebben staan kijken, tevreden glimlachend, voordat ze terug naar de tafel liep. Ze kuchte een keer om onze aandacht te trekken. Die kreeg ze. ‘Heren…,’ begon Dianne haar verhaal, terwijl ze een lachje om onze schaapachtige en onschuldige blikken probeerde te onderdrukken. ‘Ik moet jullie helaas verlaten, Demi is ziek. Ze vraagt al uren naar mij.’ ‘Ik vind u echt een toffe, maar heel erg vind ik het niet,’ zei Dominique, die via zijn ooghoeken naar mij keek. Dianne lachte. ‘Ik dacht al zoiets…’ ‘Maar je mag Demi altijd een kus van mij geven,’ ging Dominique verder. ‘Ze zal het wel kunnen appreciëren,’ zei Dianne, ‘alleen denk ik dat je op dit moment beter zuinig kan zijn op je kussen…’ Dominique moest blozen, waarop Dianne moeite moest doen om serieus te blijven. ‘Allez,’ zei ze, ‘ik ga nu echt. ’t Klonk vrij ernstig.’ Dominique en ik knikten en stonden vrijwel tegelijk op om afscheid te nemen van Dianne. ‘Zal ik eens iets zeggen?’, vroeg Dianne nog. Opnieuw knikten wij. ‘Ik denk hè…, ik denk dat jullie héél goed bij elkaar zouden passen. Maar ik denk ook dat ik dat beter niet zeg, want anders gaan jullie allebei blozen.’ Ze glimlachte breed toen ze ons zag wegkijken (om maar niet te moeten blozen). ‘Allez…’ Ze gaf ons allebei een zoen, betaalde zonder dat wij het wisten de rekening en vertrok naar huis. 

Ze wíst het gewoon. Ze wist alles. Precies een glazen bol. Nog geen week na onze eerste zoen spraken we opnieuw af, enkel Dominique en ik. Ik had voor hem gekookt, heel uitgebreid. Ik had Dianne gesmeekt om mij te helpen met het zoeken naar een lekker en gemakkelijk te bereiden gerecht, aangezien ik alles behalve een keukenprins was (en ben, overigens…). ’t Kwam er uiteindelijk op neer dat ze me tijdens het koken bijna alles heeft moeten voorzeggen. Máár: er kwam wel een fantastisch diner uit. Het viel duidelijk ook in de smaak bij Dominique, al denk ik dat Dianne gelijk had toen ze zei dat hij waarschijnlijk wel door zou hebben dat zij had meegeholpen, puur door wat er qua eten op tafel verscheen. Net voor ze vertrok voorspelde ze dat we die avond opnieuw zouden zoenen. En ze kreeg opnieuw gelijk. Pas een paar maanden later durfden we allebei voorzichtig toe te geven dat we misschien voortaan beter de woorden ‘verliefdheid’ en ‘relatie’ gebruikten in plaats van ‘vriendschap’. 

Dianne is nieuwsgierig. Héél nieuwsgierig. Of zoals ze het zelf zegt: ‘Ik weet gewoon graag alles.’ Nieuwsgierig dus. Normaal vind ik dat vervelend, maar nu totaal niet. Alles wat ze wilde weten, vroeg ze op zo’n manier dat het mij niet stoorde. Ze vroeg werkelijk vanalles: over hoever we waren, of we van elkaar de lievelingskleur al wisten, of we al konden zeggen wat voor kleur sokken de ander aanhad zonder ze gezien te hebben, en nog een aantal van die rare dingen. Vervolgens nodigde ze ons allebei uit voor een romantisch avondje. Enfin, ze nodigde zichzelf en Dominique bij mij thuis uit voor een diner. Ze zou ons een beetje de goede richting op sturen, aangezien we toen allebei nog redelijk ‘groen’ waren (als je begrijpt wat ik bedoel…). ‘Ik heb het al zo vaak gezien, ik weet wanneer ’t perfecte moment daar is om wat verder te gaan. Sommigen hebben wat hulp nodig, en sommigen niet. Jullie horen bij de eerste groep.’ Wat ik toen verwachtte dat ik kreeg? Oesters. Veel oesters. Wat ik kreeg? Alles behalve oesters. 

Rond een uur of tien zaten we aan de wijn. Ik merkte dat Dianne nergens te bekennen was. ‘Ik vermoed dat ze ons alleen heeft gelaten,’ zei Dominique. ‘Die zit al een uur thuis vrees ik.’ ‘Nu snap ik wat ze bedoelde met haar tactiek,’ zei ik, terwijl ik Dominique terug aankeek…, betekenisvol aankeek. We begonnen te zoenen. Het was zo mogelijk nog magischer dan de vorige keren. En toen? … Ja. Toen. 

Magisch is het juiste woord. Het wás ook magisch. Ik heb de avond van mijn leven gehad. Ja, natúúrlijk was er nog veel onzekerheid, natuurlijk waren we voorzichtig en wat verlegen, maar dat maakte niet uit. Alleen al het feit dat ik daar was met Dominique, dat we dit sámen konden beleven, dat was…, dat was gewoonweg super. Beter kan ik het niet beschrijven… 

De volgende ochtend ben ik naar Dianne gegaan. Nadine deed de deur open. ‘Is Dianne er?’, vroeg ik. Nadine knikte. ‘In de woonkamer.’ Ik liep naar binnen, de gang door naar de woonkamer. Daar vond ik inderdaad Dianne. Ze glimlachte vriendelijk toen ze mij zag. ‘Hé Wilfried,’ begon ze, ‘heb je een leuke…’ Ik liet haar niet uitpraten. Ik heb haar vol op haar mond gezoend. Ze keek mij verbaasd in de ogen toen ik stopte. ‘Merci,’ zei ik, waarna ik weer ben vetrokken. (‘Waar sloeg dat op?’, vraagt Nadine verbaasd. Dianne bleef stil. Ze was verbaasd over mijn reactie, zo verbaasd dat ze een tijdje geen woord kon uitbrengen. ‘Is het gelukt?’, vroeg Nadine verder. Dianne’s gezicht ging van heel verbaasd naar nog steeds verbaasd met een klein en tevreden glimlachje…) Later hoorde ik dat Dominique ongeveer hetzelfde heeft gedaan. 

Toen begon onze gezamenlijke weg van het verkennen. Van het wereldje, maar vooral van elkaar. ’t Was een fantastische tijd. Ik besloot dat ik bij Dominique wilde blijven voor zolang het zou duren. Ik was stápel op hem. Ik kon me niet voorstellen dat ik ooit zoveel van iemand anders zou kunnen houden. Niet op die manier, althans. 

Op een dag belde mijn moeder. Of ik niet een keer wilde langskomen. ’t Was al zo lang geleden dat ik mijn ouders gezien had. Ik zei dat ik later terug zou bellen. ‘Ik wil jullie namelijk aan iemand voorstellen…, ik zal alleen even moeten vragen wanneer ’t het beste uitkomt.’ Achteraf had ik spijt dat ik dat gezegd had; misschien had ik het beter eerst aan Dominique gevraagd, of hij het wilde. Maar zijn reactie viel me ontzettend mee. Hij vond het een goed idee, mits hij mij ook aan zíjn ouders mocht voorstellen. ’t Werd nu stilaan tijd dat ze het zouden te weten komen. We prikten twee data: de eerste voor mijn ouders, de tweede voor die van Dominique. 

En daar stonden we dan. ‘Ik kom u zo halen, oké?’, vroeg ik. Dominique knikte. Hij stond stijf van de zenuwen, maar liet dat niet merken. Ik deed mijn best om dat ook niet te doen - mijn ouders zouden dat immers direct merken, maar ik slaagde er niet in. Ik opende de deur van mijn ouderlijk huis en liep de gang in. ‘Ma?’, vroeg ik. ‘Pa?’ Ik liep door naar de woonkamer en trof daar mijn ouders aan. ‘Ah!’, riep mijn vader enthousiast uit. ‘Daar ben je.’ Toen volgde de begroeting zoals alleen je ouders dat kunnen doen. ‘Je zou iemand meenemen, zei je,’ was mijn moeder’s eerstvolgende reactie. Ik knikte. ‘Tromgeroffel,’ zei ik, ‘mijn lief.’ Mijn ouders waren eerst verbaasd, maar lachten toen op de welbekende ‘eindelijk heeft mijn kind het geluk gevonden’-manier. ‘Die heb ik even buiten laten wachten,’ vervolgde ik. (Ja, ik had al die onzijdige zinnetjes ingestudeerd, en ik dacht steeds geconcentreerd na over wat ik ging zeggen.) ‘Je moet niet schrikken…, ’t is misschien niet helemaal wat jullie voor mij voor ogen hadden.’ ‘Oei,’ zei mijn moeder serieus. Ze haalde zich waarschijnlijk de gekste dingen in haar hoofd. Ik schudde lachend mijn hoofd. Dan ben ik terug de gang ingelopen, en heb ik Dominique binnen gevraagd. Ik ben voor hem uit naar de woonkamer gelopen. ‘Ma, pa,’ begon ik; ik was zo zenuwachtig dat ik alles op de automatische piloot deed. ‘Dit is Dominique.’ Mijn moeder begon te lachen toen ze Dominique zag. ‘Ik heb het altijd geweten,’ riep ze uit toen ze enigszins uitgelachen was. Mijn vader bleef in zijn stoel zitten, ons observerend. ‘Kijk nou Dora,’ zei hij na een tijdje, ‘dit plaatje klópt gewoon. Geen enkel meisje past zo mooi.’ Dominique en ik keken elkaar verbaasd aan. We hadden allebei een andere reactie verwacht, veel ongeloof en onbegrip. Alles verliep zo relaxed, er was geen enkele vorm van afwijzing te bekennen. Bij Dominique liep dat totaal anders: zijn ouders hadden een coming-out duidelijk niet meer verwacht. Dominique is kwaad geworden om de reactie van zijn ouders en heeft mij bevolen naar mijn huis te rijden. Daar heeft hij een uur kwaad zitten zijn, zitten vloeken, zitten huilen om wat er was gebeurd. Hij was echt wel geschrokken… 

De volgende ochtend ben ik alleen terug gegaan naar het huis van Dominique zijn ouders. Ik wilde met ze praten, althans, proberen. Ze waren in eerste instantie al verbaasd dat uitgerekend ik voor de deur stond, maar ze hebben me wel binnen gelaten. Ik heb ze uitgelegd hoe het bij mij thuis zit (‘Ik ben altijd streng katholiek opgevoed, en het onderwerp homoseksualiteit werd zoveel mogelijk vermeden. Rond mijn zestiende werd het iets gewoner om daarover te spreken, puur omdat de maatschappij continu veranderde en wat toleranter werd wat dat betreft. Mijn ouders waren iets minder gebrand op het geloof dan eerst, maar voor mij bleef alles hetzelfde; ik dacht er zelfs over om priester te worden. Toen ik eenmaal werkte, werd voor mij het geloof ook minder belangrijk. Ik had dat eerst zelfs niet door. Soms had ik geen tijd of zin om naar de kerk te gaan, en sinds dan is ‘soms’ redelijk snel veranderd in ‘bijna altijd’. Tegenwoordig kom ik nog maar zelden in een kerk, bidden voor elke maaltijd is er ook niet meer bij. Enkel bij mijn familie hang ik nog een beetje meer de katholiek uit dan wanneer ze er niet bij zijn.’), hoe ik over homoseksualiteit dacht (‘Vroeger dacht ik dat het een zonde was om van iemand van hetzelfde geslacht te houden, écht van te houden, als in ‘liefde-liefde’. Alles wat ik mij bij homoseksualiteit kon voorstellen, was smerig. Homo’s waren smerig, onrein. Langzaamaan is dat beeld veranderd, zeker op de middelbare school. Ik kreeg les van een aantal homoseksuele leraren, ik heb me daar verder nooit aan gestoord. Mijn oude beeld over homo’s veranderde pas echt toen een van die leraren door een groepje bovenbouwleerlingen in elkaar werd geslagen. Ik besefte dat ook homo’s kwetsbaar waren, gelijk ik, gelijk eender wie. Homo’s waren ook mensen, en geen monsters zoals de kerk soms durfde te beweren. Toen ik zelf begon te twijfelen of ik toch toevallig niet homo was, begon dat geloof toch weer te knagen. Was het wel oké? En God, wat zou die wel niet denken? Ik heb mijzelf ervan weten te overtuigen dat hij mij heeft gemaakt zoals ik ben, en dat het zijn eigen schuld is als ‘m dat niet bevalt.’), wat voor een homo ik denk te zijn, ook wil zijn en waarschijnlijk ook ben (‘Je hebt drie soorten homo’s: homo’s die gewoon homo zijn, homo’s die zich gedragen als een vrouw, en homo’s die liefst een vrouw zouden willen zijn. Mijn lichaam bevalt mij goed, ik heb niet het idee dat ik in het verkeerde lichaam zit, dus de laatste optie valt voor mij af. Ik vind het vervelend als mannen zich gedragen als een vrouw, inclusief jurken en make-up, dus ik verkies de eerste categorie. Eerst was ik de Wilfried die dácht op vrouwen te vallen, en nu ben ik dezelfde Wilfried, alleen val ik op mannen. Enkel dat aspect is veranderd, meer niet.’), en hoeveel ik eigenlijk van Dominique hield (‘Om het kort te zeggen: heel erg veel.’). Ik ben terug buiten gestapt met een tevreden gevoel, ik had ook wel het idee dat Dominique zijn ouders de situatie nu beter begrepen. Ze hebben in ieder geval dezelfde dag nog hun excuses aan Dominique aangeboden. 

En toen kwam het volgende grote obstakel: het vertellen op het werk. De collega’s wisten dat ik een lief had, en stilaan begonnen ze zenuwachtig te worden. Het was al zo speciaal dat de jonge Pasmans, de eerst zo eeuwige vrijgezel, ineens geen vrijgezel meer was. Dan begon de informatie stilaan door te sijpelen: mijn lief heette Dominique, reed in een Jaguar, werkte in de Holiday Inn, … ’t Werd toen stilaan tijd om het Raymond te vertellen. We werkten al zo lang samen, we hebben zo’n goede band gekregen, hij móést het gewoon eerder weten. Ik heb ‘t ‘m niet alleen verteld, ik heb ‘m gewoon direct voorgesteld aan Dominique. Ook hij had het altijd geweten, althans, dat zei hij. Ik vraag me dan altijd direct af waarom ze niks gezegd hebben, of iets gevraagd. Dan had ik het zelf misschien eerder durven toegeven…, aan mezelf vooral. Dat had een hele hoop misérie bespaard denk ik… Geloof het of niet, maar ik ben een aantal dagen serieus ziek geweest, puur en alleen omdat mijn figuurlijke kast mij helemaal door elkaar schudde. Ik wist het gewoon niet meer. Voor het eerst in mijn leven heb ik écht gehuild om iets, om dát. Ik wist gewoon niet wat er met mij aan het gebeuren was. Maar toen ik Dominique écht had leren kennen, was dat volledig over. 

Het team had niks door toen Dominique mij kwam ophalen om naar Parijs te gaan. Nog geen klein vermoeden. Tot Merel’s opmerking over de sleutelbos: ‘Ik zie dat u in een Jaguar rijdt…’ Dominique wíst dat het team wist over de Jaguar, en dat hij nu een misschien wel fatale fout had gemaakt. Zenuwachtig drukte hij zijn autosleutel in zijn handpalm, zodat het niet meer zou opvallen. Ik was net zo zenuwachtig als hij, misschien nog wel zenuwachtiger. ‘Hoe zie ik eruit?’, vroeg ik in de kleedkamer aan Raymond. Hij probeerde mij gerust te stellen. ’t Lukte niet. Ik schrok mij dood toen ik Dominique in de teamruimte zag staan. Nu kon ik niet meer terug. ‘Ja,’ begon ik tegen het team, ‘iedereen, uhm, dit is Dominique De Leeuw, Dominique is hotelmanager bij de Holiday Inn, en uh…, hij is van mij.’ Snel richtte ik mij tot Dominique. ‘Klaar?’, vroeg ik. Dominique had nog maar amper antwoord gegeven, of ik trok hem al mee de gang in. Ik wilde geen reacties horen of zien, direct weg, ’t even laten bezinken bij de collega’s. Dan zou ik het na het weekend Parijs wel horen. 

De reacties waren redelijk positief. Iedereen ‘wist het al’, of ‘had zo’n vermoeden’, iedereen, behalve Bruno. Hij nam mij apart op mijn eerste werkdag na Parijs. ‘Kijk hè Wilfried, ik vind het allemaal best dat ge liever ne vent hebt, hè, maar…’ Ik liet hem niet uitpraten. ‘Maar gevoelt u nu smerig omdat ge met een homo onder de douche hebt gestaan,’ zei ik snel, met een nonchalant glimlachje. ‘En nu durft ge niet meer, omdat ge bang zijt dat ik aan u ga zitten.’ Bruno knikte voorzichtig. ‘Wees maar niet bang,’ ging ik verder, ‘ik kom bij Dominique wel aan mijn trekken.’ Ik ging rechtstaan en wilde weglopen, zette de eerste stappen richting de hal om koffie te gaan halen, maar bedacht mij ineens iets. ‘En bovendien…’ Ik draaide mij terug naar Bruno, die verbaasd keek omdat hij dacht alles al gehad te hebben. ‘Ge zijt mijn type niet. Ik houd niet zo van dikke teddyberen.’ Met een big smile op mijn gezicht liep ik naar de wachtkamer om koffie te halen. 

Bijna twee jaar later zijn we gaan samenwonen. We vonden het ideale appartement, en na wat problemen ook de ideale persoon om het volledig op te knappen. Want Dominique en ik, wij hadden én weinig tijd, én beiden twee linkerhanden, dus de beslissing om het te láten doen was snel genomen. Na ongeveer twee maanden in het puin gezeten te hebben, was ons stekkie eindelijk klaar. Ik had nooit meer verwacht dat ik zó een serieuze relatie kreeg dat we zouden besluiten te gaan samenwonen. Bij Dominique voelde ik mij heerlijk. Alles was oké, alles voelde goed. Dominique en ik…, dit was ons plaatje. En het klopte gewoon. Hij was mijn prins op het witte paard, ik de zijne. Wij leken voor elkaar gemaakt… 

Maar toen…, toen gebeurde er iets raars…, iets wat ik, wat Dominique, wat níemand van ons in de hand had. Ik had het eerst zelfs niet goed door. Op het werk ging alles immers voor de wind: ik mocht mij nu gaan voorstellen met Hoofdinspecteur – OGP Wilfried Pasmans, en mijn ego maar groeien… Ik was zo bezig met stoefen, met proberen als eerste een nieuwe aanwijzig te vinden in een zaak of om een zaak op te lossen, dat ik niet doorhad dat mijn relatie met Dominique vertroebelde. Pas toen ik door mijn collega’s op mijn plaats gezet was, kreeg ik door dat Dominique vaker weg was dan normaal, later thuiskwam dan normaal…, alles was anders dan normaal. Ik wilde weten hoe hij over de situatie dacht. ‘Dominique,’ begon ik mijn verhaal, ‘ik weet dat ik de laatste maanden geen ideale partner ben geweest. Ik was alleen bezig met mijn werk en zag u niet meer staan. Ik ben een eikel omdat ik dat heb laten gebeuren en het spijt mij. Ik wil niet dat ge alleen thuis zijt, ik wil niet dat ge u afvraagt waarom ik mijn job liever lijk te zien dan u, ik wil niet dat ge twijfels hebt over onze relatie. Het spijt mij dat ik onze relatie heb laten vertroebelen, het spijt mij dat ik u niet meer zag staan, ’t spijt mij wat ik verder verkeerd gedaan heb in onze relatie… Ik zou het ook heel goed begrijpen, mocht je…, …, als je…’ ‘Als ik wat?’, vroeg Dominique, die enigszins verbaasd was om deze verklaring. Ik zuchtte diep. Het deed écht pijn om het uit mijn mond te krijgen. ‘Als ge uw plezier bij iemand anders zou zijn gaan zoeken…,’ zei ik uiteindelijk toch. Dominique schrok, sloeg zijn ogen neer en begon zenuwachtig met zijn duimen te draaien. ‘’t Spijt mij Wilfried, dat ge mij zo goed kent,’ zei hij zacht. ‘Het spijt mij echt.’ Hij keek op; de tranen stonden in zijn ogen. Dan was het even stil. ‘Wie is het?’, vroeg ik zacht. ‘Niemand die gij kent,’ zei Dominique direct. ‘Allez, dat hoop ik toch. Anders hebt gij mij heel wat uit te leggen…’ ‘Hoeveel euro per keer?’, vroeg ik iets harder. Dominique zuchtte diep. Hij draaide nog altijd met zijn vingers, wel iets minder zenuwachtig dan enkele ogenblikken eerder. ‘Tweehonderd, tweehonderdvijftig euro…,’ zei hij zonder mij aan te kijken. ‘Maar hij deed zijn job, dat was voor mij dan het belangrijkste. Al voelde ik mij nadien altijd ongelofelijk klote, zeker als gij dan al thuis waart…’ Ik knikte en stond op. ‘Ik denk dat ik best wegga voor een tijdje, dan kunnen we alles even op een rijtje zetten, onafhankelijk van elkaar.’ Ik wilde naar de slaapkamer gaan om mijn koffer te pakken. ‘Wilfried, wacht…’ Dominique was ook opgestaan. Een kleine traan liep langzaam over zijn wang. ‘Ik wil niet dat je weggaat. Ik heb u nodig… Ik heb spijt. Heel erg spijt. We kunnen praten over hoe we nu verder moeten. Als ge weggaat…, ik hou dat niet vol zonder u. Ik zie u graag. Het spijt mij.’ ‘Mijn besluit staat vast,’ zei ik. ‘Ik moet zelf ook nadenken. Ik heb u meer laten zitten dan gij mij.’ Dominique keek verbaasd. ‘Ik heb mijn plezier ook ergens anders gezocht,’ zei ik direct. ‘Daar heb ík spijt van…’ ‘Ga even zitten en leg het mij uit,’ zei Dominique, die nu duidelijk alles wilde weten. Ik gehoorzaamde. ’t Móést er nu gewoon uit. Ik kon het niet meer binnenhouden. ‘Ik ben verliefd geworden op een collega, een stagiair eigenlijk, en niet zomaar één…’ Dominique keek verbaasd, geschokt toen hij de naam hoorde: ‘Dianne…’ Nu rolden er ook tranen over mijn wangen. ‘En het is wederzijds… Ik snap het niet, zij ook niet.’ ‘Jullie hebben…?’, vroeg Dominique. Ik wist wat hij bedoelde, en knikte. ‘’t Gebeurde gewoon, we hadden het niet in de hand… Het spijt mij.’ Ik stond op, en liep naar de slaapkamer. Ik ging mij niet laten tegenhouden. Ik móést nadenken. 

En wéér ging ik door die hél. De inwendige pijn…, ’t was nog heviger dan de eerste keer. Was ik nu homo, of deed ik maar alsof? Was ik bi misschien? Of was dit gewoon toeval? Ik wist het allemaal niet meer. Ik heb wéken in een hotelkamer gebivakkeerd. Ik leefde slecht: heb mij ziek gemeld op het werk, ik at niet of nauwelijks en als ik at, dan at ik ook nog onregelmatig, en voor het eerst in mijn leven heb ik gerookt. Wiet ook. Ik merkte overigens al vrij snel dat het niets voor mij was: heb bijna een halve dag boven de wc-pot gehangen. Maar het heeft wel geholpen: na die dagen van…, ‘bezinning’ was ik eruit: ik had spijt. Veel spijt. En ik miste Dominique. Ik miste onze nachten samen, onze…, intieme momenten. Dianne was een vergissing, en dat heb ik haar ook verteld. We hadden afgesproken op de Sint Michielshelling. Ik kwam er daar direct achter dat zij er precies hetzelfde over dacht als ik. ‘Misschien heb ik wel te snel besloten,’ zei ze. ‘Misschien ben ik wel helemaal niet lesbisch maar deed ik alsof, of was het gewoon toeval of zoiets, toeval dat ik verliefd werd op een vrouw. Of toeval dat ik verliefd werd op u.’ Ze keek mij aan; de tranen stonden in haar ogen. ‘Het spijt mij dat ik u en Dominique zoveel pijn bezorgd heb. Mijn twee beste vrienden… Het spijt mij.’ Ze sloeg haar ogen neer. Na een korte stilte grinnikte Dianne ineens. ‘Wat?’, vroeg ik. ‘Ik heb geen spijt,’ ging Dianne verder, ‘géén spijt van de vrijpartij, totaal niet. Dat ik me ertoe heb laten verleiden, já, het had gewoon niet mogen gebeuren. Maar van het gebeure zelf, nee. Dominique heeft zó’n geluk met jou.’ Ik begon te blozen. ‘Maar soit…,’ zei Dianne nog. ‘Ik zal u daar verder niet mee lastig vallen… Probeer dit een plaats te geven, en verder te gaan met Dominique. Leg ‘m uit wat er is gebeurd, wat er allemaal in u omging. Hij zal het wel begrijpen. En anders stuur je ‘m maar naar mij, dan zal ik wel eens met ‘m praten. Als jullie het daarna maar achter jullie kunnen laten, en verder kunnen met jullie relatie zonder enige kwetsuren van obstakels uit het verleden.’ Ze kwam dichter bij mij staan. Ik hoorde haar zacht ademen, op een manier zoals alleen Dianne dat kan: door de manier van ademen laten weten hoe je je voelt. Ze was er kapot van. Dat zag ik in haar ogen, dat hoorde ik in haar stem, in haar ademhaling. ‘Ik ga eerlijk met u zijn Wilfried,’ ging ze verder, ‘ik zie u graag. En misschien…, misschien zijt gij wel de liefde van mijn leven, maar ik niet de uwe. Spijtig, maar het is zo. In dat geval ga ik op een afstandje zitten kwijlen bij het zien van jou en Dominique. Maar als ik zie hoe gelukkig jullie samen zijn, vind ik het allang niet meer zo erg dat ik u niet kan krijgen.’ Ze zuchtte zacht, sloeg haar ogen neer en keek terug op. ‘Het spijt mij.’ Ze zei het zacht, ik moest moeite doen om haar te verstaan. ‘Het spijt mij, maar ik zie u graag.’ Ze gaf mij een zoen op mijn mond, en liep weg. 

Dianne ging alleen verder (Mihriban was ze ondertussen kwijtgespeeld), en ik ging met hangende pootjes terug naar Dominique. ’t Leek alsof ik in een vreemd huis was toen ik de gang binnen liep, al kon ik in dat vreemde huis wel direct mijn weg vinden. Ik liet mijn tassen achter in de hal en liep door naar de woonkamer. Daar trof ik Dominique aan. Hij zat op de grond, met zijn rug tegen de verwarming. Hij keek op toen hij iets hoorde, mij hoorde. Hij had mij duidelijk niet meer terug verwacht. ‘Hey,’ zei ik zacht. ‘Wilfried?’, antwoordde Dominique verbaasd. Hij stond op en kwam naar mij toe. Vlak voor mij hield hij halt. Even bleef hij staan, keek diep in mijn ogen. Vervolgens omhelsde hij mij, lang, innig. ‘Ik heb u gemist,’ fluisterde hij in mijn oor. Ik pakte Dominique stevig vast. ‘Ik u ook…’ We hebben daar zo nog een tijdje gestaan. 

Ik heb mij nog een paar weken wat ongemakkelijk gevoeld, omdat ik vol zat met schuldgevoelens tegenover hem. ’t Was grotendeels over toen we er terug een beetje klaar voor waren om weer wat…, intiemer te worden. We stonden er terug als een paar. Dat heeft mij, Dominique en onze relatie ongelofelijk goed gedaan. We hadden het terug fijn samen. Zo fijn, dat ik stilaan begon te denken aan een huwelijksaanzoek. De grote lijnen waren simpel: romantisch en origineel. Toen ik alles tot in de details uitgewerkt had en ik op het punt stond om alles te gaan regelen (ik had serieus nét de telefoon opgepakt), wilde Dominique gaan wandelen. ‘Dominique, ’t is al donker buiten,’ zei ik. ‘Waarom zou je nu nog willen gaan wandelen?’ ‘Gewoon, zomaar…,’ was zijn excuus. ‘Frisse neus halen, in een andere omgeving met u klappen, gewoon…’ Ik wilde hem niet teleurstellen, dus ging ik mee. We hebben echt een flink stuk gelopen, helemaal van ons appartement naar het centrum. Dominique wilde bij de Sint-Michiels helling even pauzeren. We keken uit over het water, zagen alle neonlampen van de cafés, de straatverlichting en de lichten die in de huizen nog brandden, en de maan – ’t was volle maan die avond – was ook zichtbaar. Ik dacht nog: Romantisch, ideaal voor een… ‘Wilfried…?’, vroeg Dominique ineens. ‘Hm…,’ antwoordde ik, eindelijk wetend waar ik Dominique zou vragen. ‘Ik zou u iets willen vragen…,’ ging Dominique serieus verder. Ik keek hem aan; hij had zich intussen naar mij gedraaid. ‘Je klinkt zo serieus?’, zei ik. Dominique knikte. ‘Ik uhm…’ Hij leek zenuwachtig. Héél zenuwachtig. Hij zuchtte diep, en vroeg met zo min mogelijk twijfel wat hij wilde vragen: ‘Wilfried…, wilde gij met mij trouwen?’ Hij leek opgelucht toen hij het eindelijk had gevraagd. De zenuwen voor de vraag waren weg. Nu kwamen de ergste zenuwen: die van het wachten op het antwoord. 

Ik was verrast, sprakeloos, ik wist gewoon níet wat mij overkwam. Door de lange stilde zag ik dat Dominique vreesde dat hij een negatief antwoord ging krijgen. ‘Ik weet wat ge denkt,’ zei ik dan, ‘ge denkt: amaai, waarom moet die zo lang nadenken? Shit, ’t is nee. Ben ik juist?’ Dominique knikte voorzichtig. ‘Maar het is niet nee,’ ging ik verder, waarna ik iets dichter bij hem ging staan en hem recht in de ogen keek. ‘’t Is ja.’ Zijn ogen straalden eerst verbaasdheid uit, maar begonnen daarna te fonkelen. ‘Écht?’, vroeg hij voor alle zekerheid nog. Ik knikte. Bij ons allebei verscheen er een triomfantelijke ‘yes!’-glimlach op het gezicht. Vervolgens kwam er een langzame, romantische, geweldige kus… Geluk alom. We zijn toen naar huis gelopen met de arm om elkaar’s middel. Toen we voor de deur van ons appartement stonden, kreeg Dominique de sleutel maar niet in het slot. Dat kwam niet doordat het te donker was om iets te zien of iets dergelijks, maar omdat ik ‘m stond te zoenen. Zonder te kijken hielp ik ‘m met de deur openmaken: ik nam de sleutel van ‘m over en stak ‘m in één keer in het slot. Dominique draaide ‘m om, en deed de deur open. Dan keek hij mij aan, lachte, en begon mij terug te zoenen. Hij begeleidde mij naar binnen en ik deed de deur achter ons dicht, zonder ook maar één moment van elkaar los te komen. … Wat er verder gebeurd is moet ik niet uitleggen zeker? 

Ik zag alleen verschrikkelijk op tegen alle dingen die geregeld moesten worden. ‘Ik heb dé oplossing.’ Dominique was euforisch. ‘Een weddingplanner.’ ‘Een weddingplanner,’ herhaalde ik. ‘Die regelt dus álles hè,’ ging Dominique verder. ‘Álles.’ Ik was een beetje achterdochtig. Hoe kon zo iemand nu álles regelen, als het ons met z’n tweeën waarschijnlijk al niet zou lukken? ‘Die heeft dat zo vaak gedaan, die weet wat ‘ie allemaal voor papierekes en formulierkes moet hebben om twee personen in de echt te kunnen laten verbinden,’ was Dominique’s antwoord. ‘Volgende week komt hij langs, misschien kunnen we alvast eens nadenken over hoe we alles willen hebben en zo…’ ‘Ik vermoed dat er een flink prijskaartje aan die weddingplanner hangt,’ zei ik direct. ‘Wedding planner klink heel duur. Alleen de brui…’ Dominique legde zijn hand op mijn mond. ‘Geld…,’ zei hij zacht, ‘… is geen probleem…’ Hij gaf mij een zoen op mijn mond. ‘Als jij het zegt,’ zei ik, en glimlachte. ‘Ik zeg dat,’ zei Dominique, die mij opnieuw een zoen gaf. ‘Ik zie u graag.’ 

Toen we een lijst gingen opstellen met wie er allemaal mochten komen, kregen we het wel even moeilijk. Moesten we Dianne uitnodigen? Als we haar niet zouden uitnodigen zou ze op onzen trouw, vlak voor ik ‘ja’ kan zeggen, persoonlijk komen vragen waarom ze niet is uitgenodigd. Als we d’r wel uitnodigden, zou ze achteraf wel eens zelfmoord kunnen plegen omdat ze dan écht geen kans meer op mij zou maken. We hebben dan maar een uitnodiging geschreven, en we zijn die persoonlijk gaan langsbrengen. We hebben dan ook maar direct verteld dat we gingen trouwen, want we hadden het ook steeds opgeschoven om haar dát te vertellen. ‘Echt waar?’, vroeg ze verbaast blij. Wij knikten. ‘Maar daar moet je niet zo depressief op knikken!’, riep ze uit. ‘Da’s gewéldig!’ Ze kuste en omhelsde ons. Toen ze onze verbaasde gezichten zag, wist ze direct wat er aan de hand was. ‘Jullie dachten dat ik nog steeds…?’ Ze wees naar mij. Wij knikten voorzichtig. ‘Maar daar moet jullie je niks van aantrekken, zenne,’ ging Dianne verder. ‘Ik zie Wilfried het liefste gelukkig, en als dat met u is…’ Ze keek Dominique aan. ‘Het geluk dat jullie uitstralen is dan het allermooiste wat jullie mij kunnen geven.’ We zuchtten allebei zachtjes, opgelucht dat ze zo reageerde. ‘Ik zal je echt niet ombrengen om Wilfried voor mij te winnen, hoor Dominique,’ zei Dianne nog, ‘dus bel de beveiliging al maar af.’ Dominique en ik keken elkaar aan en lachten. Er viel een korte stilte. ‘Weet je Dianne,’ zei Dominique plots. ‘Ik denk dat gij ondertussen al een andere homo aan de haak hebt geslagen.’ Dianne keek hem verbaasd aan. ‘Heeft ons ma jou gebeld?’, vroeg ze. ‘Ik zei nog zo dat ze…’ Ze zag ons breed glimlachen en kalmeerde. Toen verscheen er ook een glimlach op háár gezicht. ‘Jullie kennen me te goed,’ zei ze. ‘Vertel eens,’ zei ik. Dianne zuchtte zenuwachtig, ze had het waarschijnlijk alleen nog maar thuis verteld. ‘Hij heet Warre, hij is drieëntwintig en zit net als ik op de politieschool. Vorige week hebben we voor het eerst seks gehad, en sinds eergisteren hebben we officieel verkering.’ Ze zag onze betekenisvolle blikken; wij wilden een foto zien. Dianne glimlachte. ‘Oké oké. Foto.’ Ze graaide haar portemonnee uit haar broekzak en toonde ons de pasfoto die ze eruit haalde. ‘Amaai,’ zeiden Dominique en ik tegelijk. ‘Schone jongen hè,’ zei Dianne fier. ‘Allez, ga zitten. Jullie blijven eten. Dan vertel ik jullie alles, inclusief pittige details.’ 

Toen we rond een uur of tien de deur uitstapten, waren we fier op Dianne. Hoe ze omging met de dingen die gebeurd waren, hoe ze rustig verder leefde alsof er niets gebeurd was. We waren blij dat ze terug wat échte liefde kreeg, dat ze gelukkig was. Ookal was het nog pril. Maar Dianne was gelukkig. Toen ze in de deuropening stond om ons uit te zwaaien, had ze de hele tijd een gelukszalige glimlach op haar gezicht. Haar glimlach werd nog groter, net voor we bijna werden omver gelopen door een gast die blijkbaar bij Dianne moest zijn. Doordat het zo donker was, zagen we niet dat het haar lover was. ‘Warre!’, klonk er blij achter ons. We draaiden ons om en zagen Dianne zoenen met een jongen, Warre dus. ‘Dit is ‘m nu, se,’ zei ze toen ze klaar waren. ‘Warre, dit zijn Dominique en Wilfried.’ ‘Goeienavond,’ zei Warre vriendelijk. ‘Aangenaam,’ zeiden wij in koor. ‘Zeg mannen, ik weet dat ik onweerstaanbaar ben, maar ik ga jullie nu echt naar jullie auto schoppen,’ grapte Dianne. Dominique en ik begrepen de hint. ‘We bellen nog wel,’ zei Dominique. We draaiden ons om en liepen naar de auto. ‘Dag hè,’ zei Dianne voordat we instapten. Toen we wegreden, zwaaide ze ons na en ging vervolgens samen met Warre naar binnen. Ze leken zo leuk samen, maar het mocht niet lang duren. Slechts enkele weken voor onzen trouw, kwam Dianne ons persoonlijk vertellen dat ’t uit was met Warre. ‘Hij bleef steeds maar de naam John roepen op de momenten dat ik liever had dat ‘ie de mijne riep.’ Dianne was vooral dáárom kwaad. ‘Ik denk dat ik maar een advertentie plaats in de Gentenaar, ze hebben vast wel een plaatsje tussen de wanhopige vijftigplussers.’


Laatst aangepast door June op 18 Nov 2006 08:49 pm, in totaal 1 keer bewerkt 

18 Nov 2006 08:47 pm 

June



Geregistreerd op: 2-8-2005
Berichten: 3306
Woonplaats: Overal en nergens 


We trouwden in de tuin van Dominique zijn ouders. Een grote tuin, en nog wat extra opgemaakt voor deze gelegenheid. ‘Neemt gij, Wilfried Pasmans, Dominique De Leeuw tot uw wettige echtgenoot? Wat is daarop uw antwoord?’ ‘Ja,’ zei ik. Aja! ‘Neemt gij, Dominique De Leeuw, Wilfried Pasmans tot uw wettige echtgenoot? Wat is daarop úw antwoord?’ ‘Ook ja,’ zei Dominique. De mensen achter ons lachten, wij ook. ‘Dan verklaar ik u nu tot echtgenoten.’ Applaus. Toen het wegstierf, keken wij afwachtend de tuin in. ‘Dat betekent dat de ringen mogen komen,’ zei Dominique. Alle gasten draaiden zich naar achteren, en keken allemaal naar Dianne, die helemaal achterin zat. Dianne keek verbaasd op. ‘Oh, is ’t aan mij?’ Toen iedereen knikte, knikte zij ook. Zenuwachtig stond ze op en liep tussen de stoelen door naar voren. Zenuwachtig, ja. Ze was van tevoren een keer of duizend naar de wc gelopen. ‘Mijn twee beste vrienden trouwen vandaag, met elkaar dan nog,’ zei ze steeds, ‘bij één gewóne vriend loop ik al continu, kun je nagaan hoe erg het nu is. Zowel Dominique als Pasmans zijn mij veel en véél meer waard dan een gewóne vriend. Ik kan beter hier blijven, denk ik.’ In tegenstelling tot andere dagen, was Dianne opvallend stil. Je zag aan haar gezicht dat ze soms moeite had om niets te zeggen. Ik denk dat ze dat deed om ons te laten genieten… 

Ze glimlachte toen ze voor onze neus stond met de twee kleine juwelendoosjes. Één hield ze geopend voor mijn neus. Zenuwachtig haalde ik de ring eruit. Ik zuchtte diep en keek Dominique aan. ‘Dominique,’ begon ik, ‘ik heb heel lang nagedacht over wat ik tegen u wilde gaan zeggen op dit moment, en ik kwam uit op een stuk van ongeveer een kwartier. Ik zal u dat besparen.’ De gasten lachten. ‘’t Komt eigenlijk op het volgende neer: ik zie u graag, en ik zal dat altijd blijven doen, wat er ook gebeurd. Ik zal u altijd trouw blijven, en aan uw zijde staan tot ik erbij neerval.’ Ik schoof mijn ring om zijn rechter ringvinger. Dianne hield het andere doosje open voor Dominique. Hij leek minder zenuwachtig. Leek; Dominique weet zenuwen soms heel goed te verbergen. ‘Goh, Wilfried,’ begon hij, terwijl hij de ring uit het doosje haalde. ‘Eigenlijk hè, eigenlijk heb jij zojuist exact hetzelfde gezegd als ik wou zeggen.’ ‘Da’s niet erg,’ zei ik glimlachend. ‘Als je ’t maar meent.’ ‘Ik meen het,’ zei Dominique. ‘Ik meen het als ik zeg dat ik u altijd graag zal zien, dat ik u altijd trouw zal blijven en altijd zal bijstaan wanneer dat nodig is. Altijd.’ Hij schoof zijn ring om mijn ringvinger. We keken elkaar aan, elkaar’s handen vasthoudend. Lichtjes in zijn ogen. Ik vermoed dat ze weerspiegelden in de mijne. Ik ben niet zo goed in lichtjes in de ogen krijgen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kuchte, waarop wij allebei opzij keken. ‘U mag zoenen hoor,’ zei ze nuchter. ‘Ah,’ zei Dominique, die waarschijnlijk een act wilde gaan opvoeren. Hij zag niet dat ik voorover boog. Hij keek pas terug om toen ik hem een kus op zijn wang had gegeven. ‘Gaan we het daarbij laten?’, vroeg hij. Ik schudde mij hoofd, lachte, en boog mij terug wat voorover. Een korte, maar innige tongzoen volgde. Dat, en een ondeugende blik van Dominique, beloofden veel voor onze huwelijksnacht. 

Maar eerst was er nog het feest. De familie had een hoop gearrangeerd, typische dingen voor een trouwfeest (amateuristisch in elkaar geflanste liedjes en gedichtjes, emotionele speeches van geëmotioneerde ouders, et cetera). Leuk, maar ik was blij dat ik zelf ook wat kon gaan doen; de dansvloer lonkte. Dianne had haar band gevraagd om te komen spelen. Ze nam het woord. ‘Ik weet,’ begon Dianne (ik vreesde dat er een eindeloos lijkende speech zou komen), ‘dat het niet makkelijk moet zijn om al het vriendelijk bedoelde geouwehoer van je familie en kersverse schoonfamilie te moeten aanhoren. Het lijkt eindeloos te duren, nietwaar?’ Wij knikten zachtjes. Dianne lachte. ‘Ik zal het daarom kort houden,’ ging ze verder, ‘ik en de band zetten een ongelofelijk zwijmelnummer in, en ik zou graag het bruidspaar willen vragen om richting de dansvloer te komendanku.’ Wij sprongen direct op van onze stoel. Of het nu daarom was of om wat Dianne had gezegd, de gasten vonden iets in ieder geval grappig. Hand in hand liepen we naar de dansvloer, terwijl de piano inzette. Op dat moment kon er geen beter lied ingezet worden. Het leek voor ons geschreven te zijn; we gingen er allebei helemaal in op. We stonden te dansen zoals we nog nooit gedaan hadden: elkaar omhelzend, slechts een beetje aan het ronddraaien, af en toe een kus. We hadden regelmatig in de huiskamer staan dansen: de tango, de wals en weet ik het welke dansen nog meer, maar op dit moment hadden we allebei meer behoefte aan het bij elkaar zijn, aan het intieme, zonder te moeten denken aan regels over waar je je voet nu ookweer moest zetten of hoe je je hoofd moest draaien. Ik voelde mij alsof ik onder invloed was van een of ander verdovend middel, alsof ik droomde, maar ineens werd ik abrupt wakker geschud uit die droom. De band was gestopt met spelen. Ik keek verbaasd op. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg ik aan Dianne. ‘Kop houden!’, hoorde ik iemand achter mij schreeuwen. Ik keek om, en zag een vuist op mij afkomen. Ik ben op de grond gevallen, en bewusteloos geraakt. 

Toen ik terug wakker werd, kon ik niet direct bevatten wat er gebeurd was. ‘Rustig maar Wilfried, blijf maar rustig liggen,’ zei Dianne zachtjes. ‘Je bent knock-out geslagen.’ ‘Knock-out geslagen?’, vroeg ik. ‘Waarom? Door wie? Wat…, waar is Dominique?’ Dianne keek van mij weg en mompelde iets. ‘Wat?’, vroeg ik. ‘Ze hebben hem meegenomen,’ zei Dianne harder. Ze durfde me nog steeds niet aan te kijken. ‘Ze hebben hem ontvoerd.’ Die woorden bleven zich in mijn gedachten herhalen. Dit kon niet waar zijn… Het had de mooiste dag van mijn leven moeten worden, maar het werd een nachtmerrie. Dominique ontvoerd…, waarom in Godsnaam? Hij doet geen vlieg kwaad! 

Dianne kwam de volgende ochtend bij mij langs. ‘Het spijt me, Wilfried, maar ik ga nu even flik moeten spelen terwijl ik dat eigenlijk liever niet doe nu.’ Ik knikte. ‘Wat wil je weten?’, maar eigenlijk wist ik het al. Dianne zag zichtbaar op tegen de standaard vragen die ze moest stellen. ‘Heeft Dominique ooit iets verteld over bedreigingen of iets dergelijks?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Is hij zich anders gaan gedragen?’ Ze had eigenlijk niet verder moeten vragen: negen van de tien keer was het antwoord op alle vragen hetzelfde. ‘Iets anders?’ Ze vroeg het zuchtend. Haar stem trilde een beetje. Zij vond het ook moeilijk, en ze wist zich geen houding te geven tegenover mij. ‘Dianne,’ begon ik, ‘ik weet wat je denkt. Je wilt de zaak zo snel mogelijk overdragen omdat je er te persoonlijk bij betrokken bent.’ Ze keek me verbaasd aan. ‘Maar ik wil niet dat je dat je de zaak overdraagt…’ Ik keek haar recht in de ogen. ‘Ik wil juíst dat jij het doet.’ 

‘Heren…’ Dianne stapte de kleedkamer binnen, en lachte zodra ze merkte dat zes ogen haar braaf aanstaarden. ‘Briefing over een halve minuut.’ Ze liep terug naar de teamruimte, waar ik zat te wachten. Dianne zuchtte. ‘Wilfried, je ziet er niet uit…’ Ze had gelijk. Ik zag er niet uit. Ik had donkere kringen rond mijn van vermoeidheid kleine ogen; ik had die nacht geen oog dichtgedaan. Ik miste Dominique, ik maakte mij zorgen om hem. Dianne was de hele nacht bij mij gebleven. Ze had in het holst van de nacht de meest belangrijke personen van België gebeld, om er de volgende ochtend maar direct aan te kunnen beginnen. Ze had de nachtploeg de opdracht gegeven alvast wat dingen te doen, buurtonderzoek, camerabeelden bekijken, et cetera… Veel hadden ze niet. Daar moest ik niet naar vragen, ik had die nacht regelmatig veel gevloek gehoord, en één keer zelfs een glas dat Dianne buiten (ze haat stofzuigen) tegen de muur had gegooid. Ze zat beneden aan de keukentafel met een hele berg papieren met telefoonnummers en weet ik het wat nog meer, maar af en toe kwam ze bij mij kijken. Één keer zag ze dat ik wakker was en knielde ze naast het bed zodat ze mij kon aankijken. ‘Ça va Wilfried?’, vroeg ze zacht. Ik ging rechtop in bed zitten, met mijn knieën een stuk opgetrokken. Zachtjes schudde ik van nee. Ik wilde niet, maar de tranen vloeiden al over mijn wangen nog voordat ik ze kon tegenhouden. Dianne ging zitten op het kleine stukje bed dat naast mij nog over was en omhelsde me. ‘Ik mis hem,’ zei ik schor, ‘ik maak mij zorgen.’ Dianne streelde door mijn haar. ‘Ik ook Wilfried,’ zei ze zacht, ‘ik ook…’ 

‘Bon,’ zei Dianne, toen John, Raymond en Michiel de teamruimte binnenwandelden. ‘Nu we compleet zijn… We weten allemaal wat er gebeurd is gisteren; ik ga daar dan ook verder niks over zeggen. Ik stel voor dat we direct overgaan tot dat wat er moet gebeuren… Ten eerste: buurtonderzoek.’ Michiel stak zijn hand op, om te laten weten dat hij een vraag had. Dianne gaf toestemming om te praten door een keer te knikken. ‘Dat is toch al gebeurd?’, vroeg hij. Dianne knikte opnieuw. ‘Maar we gaan het nog een keer doen. Deze keer met honden.’ Michiel zuchtte; buurtonderzoek was nooit echt zijn ding geweest. ‘Twee,’ ging Dianne verder, ‘het signaal van zijn gsm, met uitdrukkelijk het verbod om te bellen of smssen zonder mijn toestemming. Drie: een grondige huiszoeking.’ Ik keek verbaasd opzij. ‘Wablief?’, vroeg ik luid. ‘Wilfried, ’t moet gebeuren,’ zei Dianne zachtjes. ‘Misschien vinden we wel iets…’ ‘Wat je dus eigenlijk bedoelt is dat Dominique mij nu al voorliegt?’ Ik was echt kwaad. ‘Jij durft nogal!’ Dianne’s blik ging naar de grond. ‘Wilfried,’ begon Raymond, ‘ik denk dat ze ’t gewoon grondig wil doen, in de hoop dat we ‘m eerder vinden. Zij weet als een van de besten dat Dominique te veel van u houdt om dingen te gaan verzwijgen. Hij zou u toch nooit ten huwelijk hebben gevraagd als hij niet van u hield?’ Ik kalmeerde; hij had gelijk. Ik knikte onzeker. ‘’t Is oké voor die huiszoeking… … En sorry…’ ‘Ça va,’ zei Dianne zacht. ‘Waar was ik?’ ‘Punt vier nu,’ zei Emma, die haar veters opnieuw aan het stikken was. ‘Oké,’ zuchtte Dianne, ‘punt vier: zijn kantoor in het Holiday Inn moet volledig ondersteboven worden gehaald en al het personeel moet worden ondervraagd. Punt vijf: ik wil van alle recente, gelijksoortige ontvoeringen het volledige dossier. Punt zes: ik wil een lijst van alle mensen uit de omgeving die ooit al eens iemand hebben ontvoerd, en hoeveel daarvan er nu op vrije voeten zijn. Punt zeven: ik wil Dominique zijn computer van thuis en vanop het werk volledig uitgeplozen zien. Punt acht: ik wil álle persoonlijke documenten die hij bezit. Punt negen: ik wil al zijn post die nog ergens in of rond het huis te vinden is. En tenslotte, punt tien…’ ‘Eindelijk zeg…,’ zuchtte Michiel zacht, maar niet zacht genoeg: Dianne had het duidelijk gehoord. ‘Merci voor uw enthousiasme, meneer Dewaele.’ Michiel kroop zo onopvallend mogelijk weg achter John en Raymond. Dianne zuchtte. ‘Punt tien dus. … Ik wil mijn eigen contactpersoon. Ik mag jullie eigenlijk niet eens commanderen, vanwege A mijn rang en vanwege B ik hier niet eens werk of stage loop.’ ‘Punt B klopt niet,’ zei John, waarna hij naar Dianne liep en haar een papier voorhield. ‘Je moet alleen nog even tekenen.’ Dianne’s mond viel open. ‘Een contract?’, vroeg ze verbaast. John knikte. ‘Drie maanden op proef, daarna wordt het bindend.’ Dianne glimlachte. ‘Allez, ’t is goed,’ zei ze. ‘Omdat ik dan net iets meer kan… Drie maand, John. Wil het niet lukken, dan zien we wel weer.’ Snel zette ze een krabbeltje op het contract. John schudde haar hand. ‘Welkom in het team, brigadier,’ zei hij. ‘Danku, Commissaris,’ zei Dianne met een glimlach. Direct daarna draaide ze zich om. ‘Mensen, aan de slag. We zijn nog geen millimeter verder, terwijl we dat al wel hadden kunnen zijn. … En nog één ding…’ Iedereen was al de gang ingelopen, maar kwam nu braaf terug. ‘Jullie hebben veel te doen, en het is bovendien niet zomaar werk, ’t gaat tenslotte om ’t lief van een collega, en ik zou daarom ook willen vragen om extra uw best te doen zonder uzelf te forceren. Danku.’ Iedereen knikte geconcentreerd, en liep terug in de richting waar ze vandaan kwamen. 

Iedereen kreeg één volledige taak voor zijn of haar rekening, soms met, soms zonder versterking. Ik kreeg de opdracht de archieven in te duiken om gelijksoortige misdrijven te zoeken, Michiel en Cat deden nogmaals een buurtonderzoek, Raymond belde naar Proximus voor een mastbevraging - in de hoop dat Dominique zijn gsm een signaal af zou geven – en een gedetailleerde lijst van de laatste oproepen, John en Dianne gingen direct door naar de Holiday Inn; John om het personeel te ondervragen en Dianne om Dominique zijn kantoor helemaal te doorzoeken. Later zou ze richting ons huis gaan om Emma te helpen bij de huiszoeking en het zoeken naar persoonlijke documenten en zijn post. Halverwege de middag was het volledige team bezig met de huiszoeking. 

Ik verwachtte de grootste rotzooi die ik ooit in mijn huis zou aantreffen, maar het tegendeel bleek waar. ‘Het was een grote rotzooi, ik beken, maar we hebben alles zo goed en netjes mogelijk weer opgeruimd,’ zei Dianne, die zuchtend in de bank was gaan zitten. ‘Ik zal u eens iets zeggen Wilfried: ik heb niets kunnen vinden wat erop wijst dat Dominique een beoogd doelwit was. Er is geen bewijs dat hij bedreigd is geweest. Alles was oké als we de papieren hier mogen geloven.’ Ik zuchtte diep. ‘Ik weet het anders ook niet…’ ‘Tenzij…,’ zei Dianne plots. ‘Wat?’, vroeg ik. Dianne gaf geen antwoord. Ze stond op en trok een lade van de kast naast haar, open. Ze bladerde in bankpapieren en rekeningafschriften. ‘Heb jij enig idee hoeveel geld uw liefke op zijn rekening heeft staan?’, vroeg ze. Ik zuchtte. ‘Géén idee. Tweeduizend?’ ‘Al zet je er nog drie nullen achter, dan kom je er nog niet eens in de buurt,’ zei Dianne. ‘Ruim veertig miljoen, Wilfried. Veertig miljoen.’ Ik sprong op en liep naar haar toe. ‘Dit is dus wel een mogelijk motief hè,’ zei Dianne. ‘Ik denk…’ Ze werd onderbroken door de deurbel. We keken allebei richting de gang. ‘Wie kan dat zijn?’, vroeg ze verbaast. ‘Verwacht je nog iemand?’ Beduusd schudde ik van nee. ‘Doe niks tot ik het zeg,’ zei Dianne, die de wc op de gang binnenrende. Ik hoorde het geluid van de wc-bril die voorzichtig omhoog gezet werd. Ze was op de rand van de wc-pot gaan staan, zodat ze door het naar binnen toe geblindeerde raampje naar buiten kon kijken. Een paar tellen later kwam ze de woonkamer binnen met een enveloppe in haar handen (ze had een stuk toiletpapier tussen haar vingers en de envelop, om mogelijk bewijsmateriaal niet te vernietigen). ‘Bel de mannen van het labo,’ zei ze. ‘Zeg dat ze in burger naar hier komen. Dit zou wel eens een losgeldbrief kunnen zijn. Ik wil zeker zijn dat er geen sporen opzitten.’ 

Even later had ze een paar latex handschoenen van een van de labo-mensen gekregen om de enveloppe open te maken. Dat moest volledig volgens de instructies, om zo min mogelijk eventueel bewijsmateriaal te vernielen. Er zat een dubbelgevouwen A4-vel in. Dianne nam het eruit en sloeg het open. ‘Veertig miljoen…, binnen twee dagen…, verdere instructies volgen, blablabla,’ mompelde Dianne. ‘Een standaard brief dus.’ ‘We zullen de inkt en het papier analyseren en zoeken naar verdere sporen,’ zei een van de mannen van het labo. ‘We zullen er spoed op zetten.’ ‘Danku,’ zei Dianne, waarna de twee heren met brief en envelop vertrokken. Daarop werd uiteindelijk één vingerafdruk gevonden, en hoe gek het ook klinkt: de afdruk zat in het systeem. ‘Altijd als je voorzichtig probeert te doen, wordt je onvoorzichtig,’ zei Dianne, waarna ze begon te glimlachen. ‘Je zou bijna denken dat meneer Vandewiele gepakt wíl worden.’ Dianne gaf Michiel en Cat de opdracht om eens aan te bellen bij het laatst gekende adres van de man. Een half uur later kwamen ze terug. ‘Het pand is vorig jaar gesloopt,’ zei Cat zuchtend. ‘We hebben niks.’ ‘Ik wil een opsporingsbericht voor Vandewiele en Dominique,’ zei Dianne, die moeite moest doen om niet te gaan schreeuwen, ‘en ik wil het nu. En vergeet de VRT niet te bellen.’ Iedereen schoot direct in actie, op zo’n manier dat het leek alsof er een orkaan door de teamruimte liep. 

Dianne reed mij naar huis. ‘Ik wil een goede, recente en zo groot mogelijke foto van Dominique, en we zullen zo wel wat details opschrijven.’ ’t Viel mij op dat ze al hele tijd zenuwachtig op het stuur had zitten tikken. Ze had het proberen te verhullen met een beetje make-up, maar je zag duidelijk dat ze vermoeid was. Ze had haar bed al even niet meer gezien. Waarschijnlijk had ze zichzelf helemaal volgeschonken met koffie, thee en energiedrankjes om maar te kunnen blijven functioneren. Als je iets morgen kan doen, kan het ook vandaag is haar motto. ‘Dianne?’, vroeg ik. ‘Hm…?’, was Dianne’s antwoord. ‘Als je wil kan je bij mij thuis wel even een paar uur slapen...’ Ik wist eigenlijk al dat ze het nooit zou willen. ‘Je ziet er moe uit.’ ‘Ik kan toch niet slapen,’ zei ze zacht, ‘pas als we Dominique gevonden hebben… Elke seconde telt, Wilfried, dat weet jij net zo goed als ik.’ Ik knikte. ‘Maar het is ook belangrijk dat je in zo’n geval goed slaapt.’ Dianne zuchtte. ‘Ik kán niet slapen,’ zei ze, ‘we moeten eerst Dominique vinden. En we zijn er.’ De motor sloeg af. ‘Dianne, ik beveel je te gaan slapen,’ zei ik luid. ‘Zo kun je niet werken. Je brengt jezelf en anderen onnodig in gevaar.’ Na een minuut of vijf van tegensputteren is ze op de bank gaan liggen, en heeft ze een uur of vijf geslapen. Ze had langer kunnen slapen, maar ze durfde niet meer nadat ze wakker was geworden. ‘Nee!’ Ze zat ineens rechtovereind op de bank. Ze ademde snel en zwaar. Ik kwam naast haar zitten. ‘Hé, rustig maar,’ zei ik, ‘je had een nachtmerrie. Niks aan de hand…’ Ze drukte zich tegen mij aan. ‘’t Was zó eng,’ zei ze; haar stem trilde. ‘Dominique… Hij was…’ Ze sprong op en liep de gang in. ‘We moeten hem vinden.’ De voordeur ging open en viel daarna terug in het slot. Enkele seconden later hoorde ik een auto starten en wegrijden. 

Ongeveer vijf minuten later stond ik zelf terug in de teamruimte. Dianne was alweer aan het werk. ‘De opsporingsberichten worden over ongeveer een uur verspreid door heel Gent,’ zei ze tegen John, ‘en als we morgen nog geen tips hebben, worden ze internationaal geseind.’ John knikte. ‘We kunnen niet veel meer doen dan afwachten, vrees ik.’ ‘Afwachten?’, vroeg ik direct; mijn stem trilde. ‘We kunnen niet zomaar met onze armen over elkaar gaan zitten afwachten! Straks is ’t te laat! Straks is Dominique…’ Ik balde mijn vuisten. ‘In tegenstelling tot jullie ga ik niet zitten wachten tot morgen. Wat jullie doen moeten jullie zelf weten, maar ik ga zoeken.’ Ik draaide mij om en liep met grote passen de gang in. Ik hoorde Dianne nog ‘Wilfried!’ roepen, maar ik luisterde niet. Ik moest en zou Dominique vinden. Aan het einde van de gang liep ik bijna tegen Carla op. ‘Sorry,’ mompelde ik. Ik liep snel de trap af, naar buiten, naar mijn auto. Daar besefte ik dat het geen zin had om in mijn eentje te gaan zoeken. Met een machteloos gevoel ben ik achter het stuur gekropen en ben ik naar huis gereden. Daar ben ik onder de douche gaan staan, geen idee voor hoe lang. ‘t Moet wel redelijk lang geweest zijn; mijn vingertoppen waren helemaal gerimpeld. Eenmaal terug beneden, deed ik een poging om eten te koken. Tegen de tijd dat het klaar was, had ik al geen honger meer. Dominique kookte altijd op woensdag. 

De politie vraagt uw aandacht voor het volgende: sinds woensdag 25 juli 2007, halverwege de middag, wordt de tweeëndertigjarige Gentenaar Dominique De Leeuw vermist. Hij was zijn huwelijk aan het vieren in zijn ouderlijk huis aan de Baillet Latourlei in Brasschaat, toen hij door drie gemaskerde mannen werd meegenomen, terwijl vrienden en familie hulpeloos toekeken. Sindsdien lijkt Dominique van de aardbodem te zijn verdwenen. Ook van de daders ontbreekt nog ieder spoor. Wel is er een losgeldbrief gestuurd naar Dominique zijn thuisadres. … Dominique heeft een licht gebruinde huidskleur en hij is ongeveer één meter vijfentachtig lang. Hij heeft een slank postuur, heeft kort lichtbruin haar en bruine ogen. Op de dag van de ontvoering droeg hij een zwart kostuum met een wit overhemd. … De mogelijke dader werd enkele jaren geleden veroordeeld voor ontvoering, maar is sinds enkele maanden terug op vrije voeten. De man is vijfenveertig, ongeveer één meter zeventig en zwaar gebouwd. Zijn korte haar begint uit te dunnen en te vergrijzen. … Heeft u Dominique of zijn mogelijke ontvoerder gezien, gelieve dan contact op met de politie van Gent of Brasschaat via een van de nummers onder in beeld. 

Ik stond daar maar gewoon te staan. Mijn benen voelden aan alsof ze waren vastgenageld aan de grond, en het leek alsof de kamer ineens heel koud werd. Langzaam viel alles rond mij weg in een diep zwart gat, ik kon enkel nog kijken naar Dominique zijn foto op tv. Het moment dat ik die foto genomen had zag ik zo terug voor me: we waren nogal gek aan het doen, veel te veel gedronken natuurlijk, en plots kreeg ik de camera in het oog. Ik heb van de stomste dingen een foto gemaakt – ik geloof dat ik een van de pennen die toen op de salontafel lag wel een keer of tien gefotografeerd heb, maar op een gegeven moment kreeg ik door de lens Dominique in het oog. Hij vond het grappig mij zo te zien. ‘Ge zijt precies een clown als ge dronken zijt, zo vrolijk,’ zei hij met een big smile op zijn gezicht. ‘Vindt je?’, vroeg ik. Hij keek heel onschuldig, knikte en glimlachte lief. 

Mijn tranen zochten zich een weg naar buiten. Ik beefde over mijn hele lichaam. Ik besefte op dat moment weer – en misschien nog wel meer dan eerst – dat de persoon van wie ik op dat moment het meeste hield ergens ver van mij als een schaap tussen wolven zat… 

… en dat ik ‘m immens graag zag. 

Ik voelde dat mijn knieën het zouden begeven onder mijn verdriet, en drukte mezelf met mijn rug tegen de muur. ‘Dominique…’ De tranen liepen over mijn wangen. Langzaam gleed ik naar beneden tot ik op de grond zat en begon te huilen zoals ik nog nooit eerder gedaan had. 

Een raar gezoem deed mijn trommelvliezen zacht trillen. Ik ging een beetje anders liggen, terwijl het geluid in een paar seconden van gezoem veranderde in het geluid van een deurbel. Onze deurbel. 

Ik had het koud, en mijn hele lichaam deed zeer. Langzaam opende ik mijn ogen, en een wazige, zwarte vlek vulde mijn gezichtsveld. Langzaam werd de vlek de zwarte bank. 

De bank? 

Ik probeerde mezelf overeind te duwen, maar ik leek niet genoeg kracht te hebben en zakte weer terug. Mijn wang landde op iets glads, iets kouds. Ik probeerde mijn hoofd op te heffen. Het lukte. Ik probeerde te focussen op het koude materiaal onder mij… 

Laminaat? 

De bel ging opnieuw. Een schaduw bewoog zich voor het raam. Ik keek op, en zag iemand die probeerde naar binnen te kijken door de lamellen. ‘Wilfried?’, vroeg een vriendelijke stem. ‘Wilfried, ik weet dat je thuis bent.’ 

‘Dianne?’ Ik hoestte een keer. Mijn keel voelde aan als schuurpapier. 

Langzaam besefte ik dat ik op de vloer lag, en dat ik daar waarschijnlijk al een tijd had gelegen. Ik probeerde mij opnieuw overeind te duwen, en met veel moeite lukte het me. Ik zat onnatuurlijk recht tegen de muur, maar eigenlijk besefte ik dat niet eens. De herinneringen van de vorige avond kwamen terug in mijn gedachten toen ik recht vooruit keek. De tv stond nog altijd aan. 

Opnieuw ging de bel. Nu werd er ook op de deur gebonsd. ‘Wilfried, doe open, ik weet dat je thuis bent…’ 

Hoe laat is het? 

Met veel moeite kwam ik overeind. Langzaam slofte ik naar de tv, en zette ‘m uit. Ik draaide mij om en keek naar de klok. Negen uur. Slaperig wreef ik over mijn voorhoofd. Mijn hoofd bonkte. Opnieuw de bel. ‘Wilfried…, toe? Er is een doorbraak.’ 

Ik was in één ruk klaarwakker. Een doorbraak? Ik rende de gang op en trok de deur open. ‘Een doorbraak?’, vroeg ik luid. Dianne glimlachte. ‘Zie je wel dat je thuis was.’ Ze stapte de gang binnen en liep direct door naar de living. ‘Allez, Wilfried, kom zitten,’ zei Dianne. ‘Je zult vast honger hebben.’ Verbaasd deed ik de voordeur weer dicht en liep ook naar de living. Dianne had twee borden en glazen uit de kast gehaald. ‘Melk, koffie, thee, iets anders?’, vroeg ze. Ik schudde verbaasd mijn hoofd. ‘Water,’ zei ik schor. Ik ging aan de eettafel zitten. Dianne zette een bord en een vol glas water voor mijn neus. ‘Zware nacht gehad?’, vroeg ze, terwijl ze ook ging zitten en de zak verse broodjes die ze had meegenomen, openmaakte. Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Hier,’ zei ze, ‘eet wat.’ Ze hield de zak geopend voor mijn neus. ‘’t Zal je goed doen.’ De geur van verse croissants, worsten- en saucijzenbroodjes vulden mijn neusholten. Dianne weet dat ik daar van hou, al had ik het haar nooit verteld. 

Vlak na het ontbijt barste ik in huilen uit. Dianne omhelsde mij direct om mij te troosten. ‘’t Is goed, huil maar,’ zei ze steeds. ‘Huil maar.’ Ze bleef het zeggen tot ik enigszins gekalmeerd was. ‘Ze hebben zijn gsm kunnen traceren,’ zei Dianne plots. Ze liet me los en keek me aan. ‘Een uur geleden was de gsm in de buurt van Halle. Veel zegt dat niet natuurlijk, ze kunnen zijn gsm evengoed op een vrachtwagen gesmeten hebben. Maar we hebben in ieder geval iets.’ ‘En nu?’, vroeg ik. ‘We gaan eens uitzoeken of we het adres waar zijn gsm het signaal vandaan zendt, kunnen achterhalen,’ zei Dianne, die door mijn haar streek. ‘Ik ben benieuwd of het iets oplevert.’ Ineens hoorde ik het geluid van een ouderwetse telefoon. Dianne haalde haar gsm uit haar zak. ‘Nieuwe ringtone?’, vroeg ik laconiek. Dianne glimlachte, waarna ze op de display van haar gsm keek om te zien wie het was. Haar gezicht betrok. ‘Wilfried, bel Proximus voor een mastbevraging,’ zei ze met een trilling in haar stem. ‘’t Is Dominique zijn gsm.’ Ik sprong overeind en struikelde bijna over een stapel tijdschriften toen ik richting de telefoon rende. Ik belde Proximus en gaf gehaast instructies. ‘Neem maar op,’ zei ik nadat ik had opgehangen. Dianne drukte op het groene knopje van haar gsm en zette het apparaatje aan haar oor. ‘Hallo?’ Haar ogen groeiden. ‘Wacht even…’ Ze legde de gsm op de salontafel voor haar en zette de luidspreker aan, terwijl ze mij gebaarde te komen zitten. Ik gehoorzaamde. ‘Dominique?’, vroeg ik voorzichtig. ‘Wilfried, eindelijk!’ Hij klonk opgelucht. ‘Hoe gaat het met je?’, vroeg ik zenuwachtig. ‘Op het kleine aspect dat ik ontvoert ben en daardoor niet bij u kan zijn, goed,’ zei Dominique in een adem. ‘Heb je enig idee waar je nu bent?’, vroeg Dianne kalm. ‘Ergens buiten, op ’t platteland,’ zei Dominique. ‘Ik ruik koeien. Enfin, dat wat ze uitkakken… En op de weg hiernaartoe heb ik een bord met Halle erop gezien. We zullen daar wel zijn zeker?’ ‘Waar zijn ze nu?’, vroeg Dianne, die alles zorgvuldig noteerde. ‘Geen idee,’ antwoordde Dominique. ‘Ik heb ze een half uur geleden weg horen gaan en ze zijn nog steeds niet terug. Ik heb ondertussen mijn gsm uit mijn broekzak gevist. Ik moet wel zien dat ik ‘m daar terug heb voordat ze terugzijn en komen zien of ik er nog steeds zit.’ ‘Dominique, we gaan uw gsm proberen te traceren,’ zei Dianne, die blijkbaar uitgeschreven was omdat ze haar pen op tafel neerlegde, ‘en dan gaan we u proberen te vinden. ’t Zal niet lang meer duren nu. Zorg er in ieder geval voordat ge uw gsm laat aanstaan, geluid en trilfunctie af, en dat uw ontvoerders ‘m niet opmerken. Des te sneller hebben we u gevonden.’ ‘Komt in orde,’ zei Dominique. ‘Oké…’ Dianne nam haar gsm in haar hand. ‘Hé, Dominique…?’ ‘Ja?’ Hij klonk ineens ver weg. ‘Hou je taai, hè. ’t Komt allemaal in orde.’ Dianne kneep in mijn hand. ‘Ik vertrouw op jullie,’ zei Dominique zacht. ‘En Wilfried?’ ‘Ja?’, antwoordde ik schor. ‘Ik zie u graag…’ Een kleine traan liep over mijn gezicht. ‘Ik u ook Dominique,’ zei ik zacht. ‘Ik u ook.’ Dianne drukte haar gsm uit. ‘Bon,’ zei ze. ‘Ik stel voor dat we direct in actie schieten.’ Ze stond op. ‘Eens zien of Proximus al iets weet. En als er ook nu weer Halle uitkomt, zull’n wij dkoei’n ne keer ne bezoeksken goan brengen eh.’ Ze glimlachte. ‘Allez kom.’ Ze trok mij van de bank de gang in. 

‘Proximus is nog druk bezig,’ zei John toen we de teamruimte instapten. ‘De computers lagen vanmiddag plat.’ ‘En er is nog meer slecht nieuws,’ zei Michiel. ‘Die Patrick Vandewiele is direct na zijn vrijlating verhuisd naar Curaçao. De administratie loopt een paar maand achter, vrees ik.’ ‘En dan nog iets,’ zei John, ‘ook slecht nieuws.’ Dianne’s gezicht betrok. ‘We kunnen pas morgen een interventie doen, vandaag gaat echt niet. Iedereen…’ ‘Hoe bedoel je morgen pas?’ Dianne was kwaad, héél kwaad. ‘Gisteren was het ook al morgen!’ ‘We hebben iedereen nodig voor een escorte,’ zei John rustig. ‘Ik kan daar niemand missen voor een interventie. En het is te onzeker dat Dominique in Halle zit om de lokale politie daar te bellen. Het spijt me.’ ‘Er staat een mensenleven op het spel, John,’ gilde Dianne, ‘een ménsenleven. Wil je dat op het spel zetten om een stomme escorte te kunnen doen?’ ‘Het is dus wel de burgemeester, hè?’, zei John direct. ‘Al was het Allah of Jezus, Dominique gaat vóór. Mórgen kan het te laat zijn!’ Dianne moest moeite doen om zich in te houden en John niet in zijn gezicht te slaan. ‘Het spijt mij,’ zei John opnieuw. ‘Echt waar. ’t Gaat buiten mij om. Ik ben pas een uur geleden gebeld voor die escorte…’ Hij legde zijn hand op Dianne’s schouder. ‘Het spijt mij.’ Dianne kalmeerde een beetje. Plotseling draaide ze zich om, en liep de gang in. 

Ze was thuis. Vloekend en jankend stond ze tegen haar bokszak te slaan. ‘Godverdommesekolereburgemeester,’ siste ze, ‘ik ga een klacht indienen. Sinds wanneer is de burgemeester belangrijker dan een vermiste persoon?’ Ze stopte de wild rondzwaaiende bokszak met twee vlakke handen, en ging vervolgens op haar bed zitten. Ze keek me aan. ‘Ik wil ‘m zo graag vinden, Wilfried,’ zei ze, nog lichtelijk buiten adem van het boksen. ‘Ik wil het zo graag… Misschien wel té graag. Misschien dat ’t me daarom allemaal tegen zit. Ik bedoel, een ontvoering is negen van de tien keer een fluitje van een cent als het op de zaak begrijpen aankomt. Deze hoort bij die negen keer. Maar alles zit tegen, precies alsof deze zaak die ene zaak moet zijn die niet gemakkelijk is.’ Er viel een stilte. ‘Had je dit ook allemaal gedaan als het niet Dominique was?’, vroeg ik zacht. Dianne knikte beslist. ‘Het enige verschil is dat ik nu slechter slaap,’ zei ze. ‘Ik ben een wrak op dit moment. Met een beetje make-up lijkt het nog wat, maar ik ben een wrak. Ik ben onzeker door alle tegenslag, en dat komt er na ’t werk allemaal uit.’ Ik zuchtte diep. ‘Dat komt me redelijk bekend voor…’ 

‘Wat wilt u van mij?’ 
‘Niks speciaals.’ 
‘Vandaar dat ik hier ben. Allez komaan, niks speciaals! Ik ben hier niet zomaar.’ 
‘Veel geld zou voor u niet iets speciaals moeten zijn. Ge hebt toch genoeg.’ 
Dominique verstijfde. ‘Zeg mij hoeveel ge wilt, dan kunnen we allemaal naar huis.’ ‘Ik wil zekerheid, meneer De Leeuw, zekerheid!’ De man stond dicht bij hem; Dominique zijn oren suisden een beetje van deze plotse toename van decibels. ‘Uw lief, da’s toch ne flik hè? Misschien kan hij iets regelen?’ ‘Mijn mán,’ begon Dominique, veel nadruk leggend op het woord man, ‘is inderdaad een flik. Ik denk niet dat hij iets kan regelen als het op strafvermindering of vrijspraak aankomt. Hij is flik, geen rechter.’ ‘Ne flikker zult ge bedoelen,’ lachte de man. ‘Daar ga ik niet op in,’ zei Dominique; hij had hier al zo vaak een discussie over gevoerd. Hij zuchtte diep. ‘Allez, we zullen het thuisfront eens laten schrikken,’ zei de man. Hij graaide in zijn broekzak, haalde er iets uit, en klikte – na een paar seconden naar zijn (door het weinige licht niet zichtbare) kompaan gekeken te hebben – een zakmes open. ‘Zullen we die met ring of die zonder doen?’ Dominique keek verbaasd op. ‘Wablief?’ ‘Ringvinger,’ zei de man, ‘rechts of links? Gij moogt kiezen.’ ‘Geen van beide.’ ‘Rechts dus,’ zei de man, die naar zijn kompaan gebaarde dat ‘ie Dominique moest vasthouden. De man trok Dominique zijn rechterarm omhoog. Dominique probeerde zijn hand terug te trekken, maar de man was te sterk. ‘Goed stilhouden,’ zei de man, terwijl hij Dominique zijn rechter ringvinger strekte. ‘Ik moet er maar één hebben. Niet schrikken.’ Dominique voelde het mes twee keer zachtjes tegen zijn vingers tikken, en zette zich schrap. ‘En niet bleiten.’ 

Gegil. 

Ik zat direct rechtovereind in bed. Het zweet liep door mijn haren, over mijn rug, over mijn gezicht, overal. Ik probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen. Een nachtmerrie. ‘Gewoon een nachtmerrie… Niks aan de hand…’ Langzaam ging in terug op mijn rug liggen, keek naar het plafond. Adrenaline gierde door mijn aderen. Ik was klaarwakker. En slapen, slapen durfde ik niet meer. Want wat nu als die nachtmerrie niet lang meer een nachtmerrie zou zijn, maar ineens werkelijkheid zou worden? 

Ik keek opzij. 

5:47. 

De wekker zou over een klein kwartier afgegaan. Ik zuchtte diep. Ik had altijd een hekel gehad aan het geluid van een wekker, zo’n irritant gepiep… Ik verkoos een liefdevolle kus op mijn mond, of een liefdevolle omhelzing. Ik verkoos Dominique boven welke wekker dan ook. 

5:48. 

Dominique was altijd voor de wekker wakker. Hij zette ’t alarm dan altijd direct uit, om hem en vooral mij maar niet te storen tijdens de omhelzing, of de kus. 

5:48. 

Een vlaag van koude rillingen liep door mijn hele lichaam. Ik sloot mijn ogen en probeerde mij te herinneren hoe zijn aanraking voelde, maar ik voelde mij er alleen nog maar slechter door. Hij was er niet, en de kans dat hij nog terug zou komen was voor mijn gevoel ondertussen zeer klein geworden, en nog steeds dalende. 

5:48. 

Er kwam een auto met een vrij hoge snelheid de straat ingereden. Ik hoorde ‘m dichterbij komen, en even later voor mijn deur met piepende banden tot stilstand komen. De motor bleef draaien terwijl één portier open en dicht ging, en de auto werd afgesloten. De bel ging. Mijn ogen gingen terug open. 

5:49. 

Opnieuw de bel, nu drie keer kort achter elkaar. Rechts van mij hoorde ik een raar gezoem, ik draaide mijn hoofd naar mijn nachtkastje, en zag hoe mijn telefoon er vanaf dreigde te vallen. Ik ving ‘m op toen ‘ie ook echt viel, drukte zonder te kijken op het groene knopje en zette het apparaatje aan mijn oor. ‘Hallo?’, zei ik hees. ‘Wilfried, kom uit uw nest.’ ’t Was Dianne. ‘We zijn zo dichtbij nu, je moet nú je nest uit. We vertrekken nú over vijf minuten richting Halle.’ ‘Ik kom eraan,’ zei ik, waarna ik mijn gsm uitdrukte. Ik vloog mijn bed uit, de badkamer in. 

5u59. 

Gehaast trok ik de voordeur achter mij dicht. ‘Sorry dat het zo lang duurde,’ zei ik tegen Dianne. ‘Allez kom,’ zei zij, ‘we moeten nu echt weg, anders missen wel alle actie.’ Ik stapte in en we reden weg. 

6:00. 

… 

Ik besefte pas bij de afslag naar Halle dat ik de wekker nog niet had uitgezet. Veel gelegenheid om het eerder te beseffen had ik niet, Dianne had aan één stuk gepraat over wat er die nacht gebeurd was, wat ze nu meer wisten dan de dag ervoor en wat er nu ging gebeuren. Ik had moeite om te luisteren en mijn aandacht erbij te houden; mijn kop zat nog vol slaap. Ik gaapte. ‘Dus…,’ zei Dianne, die mij had zien en horen gapen, ‘ik zal het allemaal nog een keer zeggen, want ik heb zo’n vermoeden dat het niet allemaal is overgekomen.’ Ik keek haar aan en knikte. ‘Ik ben nog niet helemaal wakker. Sorry.’ Ik kroop nog wat dieper in mijn vest om opnieuw te gaan luisteren naar alles wat Dianne in het kwartier daarvoor verteld had. ‘We hebben een gouden tip binnen gekregen van een wandelaar uit Halle,’ begon Dianne haar verhaal, ‘hij heeft Dominique en enkele mannen gezien toen ze hem gelijk een gevangene aan het luchten waren. Vreemd, want het was nog licht buiten, en ze stonden midden op straat, alsof ze wilden dat iemand Dominique zou herkennen.’ ‘Wist die man zeker dat hij het was, en niet een look-a-like?’, vroeg ik, met mijn vraag duidelijk makend dat ik nu wél luisterde. ‘Hij was héél zeker, ondanks wat baardgroei en flinke wallen,’ ging Dianne verder. ‘De man kon op een paar meter afstand van Dominique komen. Hij herkende zijn gezicht vanuit de krant en heeft direct de politie verwittigd.’ Ik knikte. Dianne haalde iets uit haar jaszak. ‘We hebben een adres losgepeuterd gekregen…’ Ze gaf mij het papiertje. ‘De man herkende de mannen, die, die bij Dominique waren, als vrienden van de zoon van zijn overburen. Enfin, ’t komt er allemaal op neer dat we genoeg hebben voor een huiszoeking. We gaan er nu naartoe, de versterking heeft officieel vijf minuten voorsprong. Ze wachten tot wij er zijn. Ik heb ze gebeld toen jij nog vrolijk onder de douche stond…’ Ze keek mij aan, ik glimlachte. Dianne wist mij met kleine woordjes vaak toch wel een klein beetje op te beuren. ‘Officieel, zei je,’ zei ik plots. Dianne knikte. ‘Als ik honderd had gereden, hadden ze vijf minuten voorsprong,’ zei ze, ‘maar ik heb bijna de hele weg honderddertig gereden, ik verheug me al op de bekeuringen die ik mag declareren.’ Ik lachte. ‘Ik zou maar niet te hard juichen. Je mag maar honderd euro per jaar declareren aan verkeersboetes.’ Haar gezicht betrok. Twee verbaasde ogen keken mij aan. ‘Serieus?’, vroeg ze. Ik knikte, proberend serieus te blijven. ‘Shit…,’ zei ze zacht. Ik hield het niet meer en schoot in de lach. Even later zij ook. 

6:23. 

We draaiden de Hendrik Consciencestraat in, en reden tot de afzetting. Dianne keek naar de agenten voor en achter het lint en zuchtte diep. ‘Die zien eruit alsof ze heel chagrijnig kunnen reageren als ze collega’s uit een andere zone ontmoeten,’ zei ze zacht. Haar blik gleed over de zone achter het lint, en haar ogen vielen op een auto. ‘Maar ze delen wel koffiekoeken en broodjes uit.’ Ze stapte direct uit en gebood mij hetzelfde doen; ik gehoorzaamde braaf, want eigenlijk had ik ook wel honger. We liepen naar de betreffende wagen. ‘Jullie komen uit Gent zeker?’, vroeg de agent die wacht hield bij de wagen. Wij knikten, Dianne liet braaf haar legitimatie zien. ‘Pak maar iets dan,’ zei de agent, die slechts een vluchtige blik had geworpen op Dianne’s legitimatie. ‘Koffie en thee komt eraan.’ Dianne viste twee broodjes uit de kist die achter de agent stond, en gaf er één aan mij. ‘Danku,’ zei Dianne tegen de agent, waarna ze vriendelijk glimlachte. Zijn gezichtsuitdrukking zei voldoende: ook hij had liefst nog wat langer geslapen. We doken snel onder het lint door, met in onze ene had het broodje, in de andere onze legitimatie. We liepen in de richting van een zwarte BMW, waar een aantal mannen bij stonden. Ze leken redelijk hoog in rang, dus we stapten op hen af. ‘Goeiemorgen,’ zei Dianne vriendelijk, ‘Dianne Vanbruane, Wilfried Pasmans.’ Ze knikte met haar hoofd zijwaarts naar mij. ‘Lokale politie Gent. We komen voor de huiszoeking.’ ‘Peter Dubois,’ zei de man waar ze zich aan had voorgesteld, ‘Federale Recherche.’ ‘Aangenaam,’ zei Dianne, terwijl ze de man de hand schudde. ‘Nu jullie er zijn kunnen we direct beginnen,’ zei Dubois. ‘Ik heb ’t bevelschrift, iedereen staat klaar, dus we kunnen naar binnen.’ Wij knikten, en volgden de man naar nummer vijftien. Daar belde hij aan. Na nog twee keer bellen in ongeveer een halve minuut, ging de deur eindelijk open. ‘Voorwatdist?’, vroeg de jongen die in de deuropening verscheen. ‘Nikske,’ zei Dianne direct. ‘Wij komen alleen even jouw huis doorzoeken.’ ‘Federale Recherche,’ zei Dubois, terwijl hij het bevelschrift voor de huiszoeking omhoog hield. ‘U mag daar wachten.’ Hij wees naar de politiecombi aan de overkant van de straat. Zodra de jongen gehoorzaamde, liepen we naar binnen. 

We waren al even bezig, toen plots weer het geluid van een ouderwetse telefoon klonk. Dianne trok één van haar latex handschoenen uit, viste haar gsm uit haar broekzak en nam op. ‘Dominique?’, vroeg ze. Een tel later knikte ze naar mij; het was Dominique. Dianne luisterde aandachtig. ‘We zullen eens zoeken hè,’ zei ze plots. ‘Heb je enig idee hoeveel mensen er voor ons in huis waren? … Weggegaan… Oké, we zullen eens zoeken. We zijn er zo.’ Ze hing op. ‘Hij hoorde de deurbel, en hij herkende mijn stem,’ zei ze snel, waarna ze haar andere handschoen uittrok. ‘Hij zit hier waarschijnlijk in huis.’ Dubois gaf zijn mannen de opdracht naar boven te gaan en daar alle deuren en geheime luiken te op te sporen en te openen, en te zoeken naar Dominique. Ondertussen raceten wij de begane grond over. Dianne had de deur aan het einde van de hal geopend. Ik stond achter haar. ‘Een kelder?’, vroeg ik. Dianne haalde haar schouders op. Dubois wars er ook bij komen staan. ‘Dat is niet gebruikelijk in dit type huis.’ Dianne nam haar wapen en zaklamp en liep de trap af. Ik deed hetzelfde. Dubois werd naar buiten geroepen. 

Hoe verder we naar beneden gingen, hoe benauwder het werd. Het was een lange trap. Bij elke trede lette ik minder op waar ik mijn voet moest zetten, maar meer op wat ik allemaal zag, of ik Dominique zag. Dianne liep het laatste stuk van de trap in versnelde pas. ‘Eindelijk!’, zei een stem. Ik verstijfde. ‘Waar heb je Wilfried gelaten?’, vroeg de stem. Ik rende naar beneden, nu wel geconcentreerd op de treden, zodat ik me niet zou misstappen of zou struikelen over mijn eigen voeten. Ik draaide mij in de richting die Dianne was opgelopen. 

Oh mijn God. 

Hij glimlachte. ‘Hey Wilfried.’ Langzaam liep ik naar hem toe; de tranen prikten in mijn ooghoeken. Ik stopte vlak voor hem met lopen. Ergens tussen de trap en Dominique moet ik ergens mijn wapen aan Dianne gegeven hebben. 

‘Eindelijk.’ 

Ik omhelsde hem en begon te huilen. ‘Eindelijk,’ fluisterde ik opnieuw. ‘Ik heb u zo gemist.’ Zijn armen om mij heen, zijn lichaam tegen het mijne, de kus in mijn hals, …, ik weet niet wat het precies was, maar ik voelde mij een stuk beter dan dat ik mij de dagen ervoor gevoeld had. Ik liet hem los en streelde hem over zijn gezicht. ‘Je kriebelt,’ zei ik met een glimlach. Dominique knikte. ‘’t Is verschrikkelijk om je zolang niet te kunnen scheren…, laat staan niet te douchen…’ ‘Ik zal het bad laten vollopen van zodra we thuis zijn,’ zei ik, nog altijd zijn gezicht strelend. Achter mij hoorde ik Dianne kuchen, daarna een raar klikje. Ik keek om en zag een man achter Dianne staan; hij had zijn wapen op haar gericht. ‘Voordat je al gaat dromen van een warm bad,’ zei de man, ‘voorlopig zijn jullie nog niet thuis.’ Hij duwde Dianne onze richting uit, zette een paar stappen achteruit en richtte zijn wapen op ons drieën. ‘Wapens, over de vloer. Nu.’ Dianne keek naar beneden, naar haar handen. Ze stond daar met mijn wapen in haar linkerhand, en haar eigen in haar rechterhand. Zonder verder iets te doen, bukte ze en schoof de twee wapens over de grond richting de man. ‘Braaf zo,’ zei hij, waarna hij bukte om de wapens op te pakken, ondertussen zijn wapen nog steeds op ons richtend. Toen hij weer rechtstond veranderde de blik in zijn ogen. ‘Wapens néér,’ zei Dianne. Ze was voor ons gaan staan. In haar handen had ze een pistool. Waar ze het vandaan had gehaald weet ik nog altijd niet, maar ze leek in ieder geval redelijk zeker dat er kogels in zaten. Ookal was hij beter bewapend, hij leek toch geïntimideerd te zijn door het wapen wat Dianne vasthield. 

Leek. 

Voor ik er erg in had, had hij geschoten. Ik was zover ineengedoken als ik kon, mijn ogen dicht. Mijn oren suisden, maar één ding vlakbij kon ik goed horen: Dominique schreeuwde het uit van de pijn. Ik opende mijn ogen, en zag dat hij op zijn knieën zat, zijn handen op zijn rechter schouder. ‘Godverdommesse klootzak!’, hoorde ik Dianne schreeuwen. Opnieuw een schot, deze keer van Dianne. Ik keek op; ze stond ervoor, maar ik was zeker dat ze had raak geschoten. Hij lag in ieder geval op de grond. Ze liep er naartoe, en schopte de drie wapens onze kant op. Ze voelde naar pols. Ik hoorde haar zacht vloeken. 

Ik keek naar Dominique. Hij had één hand voor zich uitgestrekt, hij zat helemaal onder het bloed. Er viel een druppel van zijn hand op de grond. ‘Hier.’ Dianne hurkte bij hem, en gaf hem haar T-shirt. ‘Houd dat er maar op tot we in het ziekenhuis zijn.’ Ze stond op, en knoopte haar spijkerjack dicht. ‘Dan mag je ‘m daar ook direct weggooien.’ Dominique lachte even, en trok een pijnlijk gezicht toen hij stopte. ‘Laat me maar niet lachen,’ zei hij. ‘Allez kom,’ zei Dianne. ‘We zullen u eens overeind helpen.’ Terwijl we Dominique met z’n tweeën probeerden omhoog te krijgen, kwam er iemand de trap afgelopen. ‘Wat is er gebeurd?’ Dubois. ‘Hij heeft geschoten,’ zei Dianne, wijzend naar Dominique, ‘en ik ook.’ Dubois hurkte naast de man en voelde naar pols. ‘We zullen jullie later wel ondervragen.’ Dianne knikte, en ging ons voor naar boven. Zij liep veel sneller dan wij. Dominique verging van de pijn, en ik probeerde hem tijdens het lopen wat te ondersteunen. ‘Voorzichtig,’ zei ik steeds. 

Eenmaal buiten kwam Dianne direct op ons af gelopen. ‘Ik heb een escorte geregeld,’ zei ze. ‘Dan zijn we sneller in het ziekenhuis dan wanneer we wachten op een ambulance.’ Dominique knikte. ‘Als ik uw auto maar niet vuilmaak,’ zei hij zacht. Dianne schudde haar hoofd. ‘Mijn auto is niet belangrijk,’ zei ze, ‘’t gaat nu even alleen om u.’ Dianne kwam aan de andere kant van Dominique staan om hem ook een beetje te ondersteunen. We liepen langzaam naar haar auto. Het portier stond al open. ‘Ga maar voorin zitten,’ zei Dianne, ‘voorzichtig.’ 

Onderweg heb ik de hele tijd mijn hand op de zijne gehouden. Ik weet niet of het was om de wond nog wat meer dicht te drukken, of uit liefde, of misschien wel allebei… 

De kogel moest operatief verwijderd worden. Vervolgens was het bewijsmateriaal. Toen Dubois de kogel kwam halen in het ziekenhuis, hoorden we de ware toedracht van de ontvoering: wraak. Dominique had een tijd terug nogal last gehad van een aantal gasten in het hotel, ze hadden het echt wel bont gemaakt. Tijdens het ontbijt en het diner zetten ze de eetzaal op stelten, op hun kamer draaiden ze tot vroeg in de morgen keiharde muziek, en verder maakten ze continu lawaai en ambras om alles. ’t Kwam zo ver, dat Dominique ze namens de keten een proces heeft aangedaan, als een ‘waarschuwing’. De keten won de zaak, en had een klein bedragje als schadevergoeding tegoed. ‘’t Gaat mij niet om de schadevergoeding,’ zei Dominique er toen over, ‘’t gaat er mij om dat die gasten er een les uit halen.’ 

Tevergeefs dus. 

Dominique moest nog een paar dagen in het ziekenhuis blijven, en toen hij naar huis mocht kreeg ik een hele tas met spullen mee om de wonde thuis te kunnen verzorgen. ‘Ik denk dat ge beter vraagt of iemand anders dat wil doen,’ zei Dominique direct, ‘ik kan me nog wel herinneren dat je vier pogingen nodig had om een pleister op de juiste plaats op je voet te plakken…’ ‘Ik zal Dianne wel bellen,’ zuchtte ik, ‘zij zal wel een oplossing weten.’ 

‘Mihriban!’ 

Ze was dolenthousiast. ‘Mihriban?’, vroegen wij verbaasd. Dianne knikte. ‘Ze zal dat wel willen. En anders doe ik het.’ ‘Gij?’, vroegen wij nog verbaasder. Dianne knikte opnieuw. ‘Ik kan dat ook wel. … Een beetje.’ Wij lachten. ‘Neeneenee,’ zei ik, ‘laat Mihriban maar komen.’ Ik keek naar Dominique. ‘Ze mag mij voordoen hoe het moet, dan zal ik het zelf ook wel kunnen, zeker? Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?’ 

Awel, ik had mij daar flink in vergist. ‘Nee!’ Mihriban zuchtte diep. ‘Nog een keer.’ Ze wikkelde het verband weer los en maakte een beginnetje. ‘Zó.’ ‘Maar dat deed ik toch?’, vroeg ik verbaast. Mihriban schudde haar hoofd. ‘Nee, je deed dit,’ zei ze, waarna ze het verband verder wikkelde op de manier zoals ik het schijnbaar gedaan had. ‘Laat mij nu nog eens zien hoe het moet.’ Ik wikkelde het verband weer los, en rolde het op tot een rolletje. Dominique zuchtte toen ik weer een paar slagen rond zijn arm had gedaan. ‘Gaat dat nu nog lang duren?’, vroeg hij. ‘Ik moet naar de wc.’ ‘Momentje hè,’ zei ik. Geconcentreerd rolde ik het verband om zijn arm en schouder. Toen ik het vastplakte met een stuk pleister, keek ik naar Mihriban. ‘Zo?’, vroeg ik. Ze zweeg en bestudeerde het verband nauwkeurig. ‘Ongelofelijk,’ zei ze. Ze keek naar Dianne, die tegen de eettafel leunde. ‘Hij heeft het begrepen.’ Dianne glimlachte. ‘En hij had er maar achtendertig pogingen voor nodig.’ 

Omdat ik besefte dat zorgen voor iemand niet samengaat met een fulltime job, heb ik al mijn uren opgenomen en ben voor Dominique gaan zorgen voor zolang wij dat nodig achtten. Dianne leek er ook continu te zijn, of ze had iemand ingeschakeld om er te zijn in haar plaats, precies alsof ze ons in het oog wilde houden. Al was ik wel blij dat er altijd nóg iemand was; het nam me een hoop werk uit handen, en ik had dan ook wat aanspraak op de momenten dat Dominique lag te slapen. Maar toch was ik blij dat ik mijn uren opgenomen had. Want toegegeven: het was een hele zware periode, voor ons allebei. Dominique deed vaak nogal luchtig over de ontvoering, maar hij zat er duidelijk wel mee. ’t Kwam heel weinig voor, maar soms kwam alles eruit, alles wat hem dwarszat. Meestal voelde hij zich direct een stuk beter. Een paar dagen later was het dan weer net zo erg als daarvoor, hij leek het moeilijk te vinden om over zijn gevoelens te praten en kropte daarom alles op. Ik had er soms echt genoeg van, en wilde dan weg gaan (één keer zelfs voorgoed), maar als ik dan naar de ring keek, wist ik dat dat niet was wat ik wilde. Ik zag Dominique doodgraag, ik droeg niet voor niets zijn ring om mijn vinger. We waren voor eeuwig met elkaar verbonden. Dat wilde ik niet opgeven. Bovendien: het zou ooit wel weer beter worden. Dat was ook zo: na ongeveer twee maanden was Dominique redelijk hersteld, en hij leek zich ook weer redelijk goed te voelen. Hij kon alles weer doen (hij dacht er zelfs over na om terug te gaan werken), en hij was opgewekter. Dianne had gemerkt dat de situatie bij ons thuis in alle opzichten weer redelijk normaal werd. Ze was elke dag bij ons thuis te vinden, vaak al van ’s ochtends vroeg, maar één keer kwam ze pas ’s avonds. Ze was druk in de weer met van alles, en we mochten vooral niet weten met wat. Na een half uur van boven naar beneden en omgekeerd gelopen te hebben, kwam ze de woonkamer ingelopen. Nog voor we uitleg konden vragen, nam ze het woord. ‘Uhm,’ begon ze, ‘ik zou jullie graag verrassen.’ We keken haar verbaasd aan. ‘Ik zou graag willen dat jullie even met mij naar boven gaan, ik heb wat op jullie bed gelegd.’ 

Dominique lachte. ‘Onze trouwkostuums?’ Wij keken haar allebei afwachtend aan. Zij knikte. ‘Ik zou graag hebben dat jullie die aantrokken.’ Ik wacht wel beneden. Ze sloot de deur achter zich. ‘Moeten we dit écht doen?’, vroeg ik. ‘Ik vrees van wel,’ zei Dominique. ‘Ze is iets van plan, en dit is een deel van haar plan, dus we doen het beter wel om haar plan niet te dwarsbomen.’ ‘Allez,’ zei ik, terwijl ik mijn overhemd open knoopte, ‘ik hoop dat mijn broek niet afzakt.’ Ik keek Dominique aan. ‘Vijftien kilo,’ zei ik. ‘En het is eraf gebleven, op de een of andere manier.’ ‘Een zwaar gewonde mens verzorgen heeft blijkbaar zijn voordelen,’ grapte hij, waarna hij mij een kus gaf. We hebben ons omgekleed en gingen weer naar beneden. Met veel geluid (veel gelach vooral) kwamen we de trap afgelopen. ‘Seg, eindelijk!’, zei Dianne, die ongeduldig op haar horloge tikte. ‘We moeten dus wel wég, hè!’ Ze hield de voordeur voor ons open. ‘De auto staat al klaar.’ Wij deden zonder enig bezwaar wat er van ons verwacht werd. We kropen in de auto, en lieten ons half Gent doorrijden (allemaal vervelende, smalle straatjes natuurlijk). Uiteindelijk kwamen we op de snelweg. ‘Ik denk dat ik weet waar we naartoe gaan,’ fluisterde Dominique in mijn oor. ‘Ik ook,’ fluisterde ik terug. ‘Ik ook,’ grapte Dianne. Ze wees naar het blauwe verkeersbord in de berm. ‘Brasschaat,’ las Dominique. Er kwam een glimlach op zijn gezicht. ‘Voorspelbaar.’ ‘Zeg, ik kan jullie ook blinddoeken hoor,’ zei Dianne, die twee theedoeken van de stoel naast haar pakte en aan ons toonde. ‘Neenee,’ zeiden wij snel. ‘’t Zal wel gaan.’ ‘Ah…,’ zei Dianne, die de theedoeken weer op haar stoel legde. 

Ongeveer een halfuur later reden we de oprijlaan van Dominique zijn ouderlijk huis op. Toen we merkten hoe verdacht stil het was, keken we elkaar vluchtig aan. Dianne ging ons voor naar de tuin. ‘Oké Dianne,’ zei Dominique; hij had duidelijk genoeg van het geheimzinnige gedoe. ‘Wát komen we hier doen?’ Dianne draaide zich om. Hoewel ze er ontspannen bij stond, verraadden haar ogen dat ze zenuwachtig was. ‘We komen hier iets afmaken,’ zei ze zachtjes, waarna ze zich terug omdraaide en de deuren naar de woonkamer opende. Het was donker binnen, er viel zelfs geen straaltje maanlicht binnen. Dianne draaide het licht langzaam aan, om onze ogen aan het licht te laten wennen. Hoe meer licht, hoe meer bekende gezichten ik zag verschijnen. Dianne kwam naar ons toe gelopen met in haar handen drie glazen champagne. ‘Jullie trouwfeest, de reprise,’ zei ze zachtjes. ‘En deze keer gaat er niks gebeuren, de lokale politie heeft de hele straat afgesloten…’ Sprakeloos namen we elk een glas van haar over. 

Heel ons trouwfeest werd over gedaan, exact hetzelfde zoals we al eerder hadden gezien, enkel de speeches van de verschillende personen waren anders (dat wil zeggen, hetzelfde, alleen dan met een paar extra toegevoegde alinea’s over de ontvoering). Het moment waar het de vorige keer onderbroken werd, kwam dichter en dichterbij. Ik had spijt dat ik mijn colbert had uitgedaan zodra ik de koude rillingen over heel mijn lijf voelde lopen. ‘Ik weet,’ begon Dianne, net als een paar maand eerder, ‘dat het niet makkelijk moet zijn om al het vriendelijk bedoelde geouwehoer van je familie en kersverse schoonfamilie te moeten aanhoren. Het lijkt eindeloos te duren, nietwaar?’ Wij keken elkaar aan en knikten. Dianne lachte. ‘Ik zal het daarom kort houden,’ ging ze verder, ‘ik en Michel hier gaan hier een ongelofelijk zwijmelnummer akoestisch proberen te brengen, en ik zou graag het bruidspaar willen vragen om richting de dansvloer te komendanku.’ 

Ik was blij verrast door de subtiele verandering. Opnieuw keek ik Dominique aan. In zijn ogen fonkelden miljoenen kleine lichtjes. Ik lachte; ik hield van die lichtjes. Snel stond ik op en strekte mijn hand naar hem uit. ‘Mag ik…?’, vroeg ik. Dominique keek naar mijn hand en lachte. ‘Tuurlijk,’ zij hij, waarna hij mijn hand vastpakte en opstond. Hij kwam dicht bij mij staan. ‘Gij altijd.’ Hij keek mij diep in de ogen en gaf mij een kus. Vervolgens begeleidde hij mij naar de open plek in het midden van de kamer, terwijl de eerste maten van het nummer voor de openingsdans door de kamer stroomden. Opnieuw kon er op dat bewuste moment geen beter lied gespeeld worden. En ook opnieuw dansten we zoals wij dat op dat moment graag wilden: elkaar omhelzend, slechts een beetje aan het ronddraaiend, af en toe een kus, enkel het intieme. Geen regels. 

Zodra het nummer was afgelopen, liep iedereen de tuin in. ‘Gaan die nu al weg?’, vroeg Dominique verbaasd. Dianne knikte. ‘’t Is dus wel al bijna elf uur hè,’ zei ze. ‘Morgen is het maandag, iedereen moet terug gaan werken.’ Ik zuchtte zachtjes. ‘Bon, dan zullen we maar eens gaan zeker?’, zei ik tegen Dominique, waarna ik hem een zoen op zijn wang gaf. Dianne schudde haar hoofd. ‘De straat is afgesloten, remember?’ ‘Ge wilt toch niet zeggen dat wij hier met z’n allen blijven slapen, hè?’, vroeg Dominique verbaast. Dianne schudde opnieuw haar hoofd. ‘Enkel wij hebben een pas gekregen om de zone uit te mogen… We wilden er ook nog voor jullie aanvragen, maar de aanvraagformulieren waren op.’ ‘Jaja…,’ zei Dominique. ‘Ik vermoed dat wij nu naar boven moeten gaan om daar een bed met heel veel rozenblaadjes aan te treffen. Ben ik juist?’ Dianne glimlachte. Ze gaf ons allebei een zoen op de wang. ‘Vergeet niet om alles goed af te sluiten,’ zei ze tussendoor. ‘En er ligt een fles champagne in de koelkast.’ Ze liep naar buiten, en trok de deuren dicht. Dominique liep ernaartoe, draaide de deuren op slot en legde de sleutel op het kastje naast de deur. Vervolgens draaide hij zich om en glimlachte mysterieus. Hij liep terug naar mij; vlak voor mij hield hij halt. Hij streelde door mijn haar. ‘Ik lust eigenlijk geen champagne…,’ fluisterde hij zacht. Ik grinnikte. ‘Ik ook niet.’ ‘Probleem opgelost,’ zei Dominique met een glimlach. ‘We kunnen ‘m misschien meenemen als aandenken.’ Ik knikte. ‘Maar laat ‘m voorlopig nog maar in de koelkast liggen. Die ligt daar goed.’ Dominique lachte. ‘Net wat ik dacht.’ Toen werd het stil. Ik kon enkel onze ademhaling nog horen. Die van hem kwam steeds dichterbij. Zijn zachte, vochtige lippen drukten zich tegen de mijne. Ik schrok wakker uit de trance waarin ik mij bevond, omdat ik een auto aan het einde van de straat met piepende banden de bocht om hoorde gaan. Ik keek in het rond. ‘Ze zouden toch geen camera’s…’ Dominique drukte zijn vinger om mijn mond. ‘Sht…,’ fluisterde hij, ‘al hebben ze er een miljoen geplaatst, ’t kan mij niks schelen.’ Hij zoende mij opnieuw, nu zoende ik terug. Langzaam ging het van een hoop gewone zoenen een lange tongzoen. Zijn handen gleden over mijn heupen naar beneden, zachtjes trok hij mijn overhemd uit mijn broek. Ik zat ondertussen al bij de knopen van het zijne. 

Het was een geweldige nacht. Het voelde echt alsof ik eindelijk alles wat hiervoor gebeurd was, achter me kon laten, alsof ik het als een uitgelezen boek in de kast kon zetten. Ik had alles wat mijn hartje begeerde: een toffe job, toffe vrienden, en mijn eigen ventje. Ik was gelukkig. 

Ik bén gelukkig. 

Ik weet niet helemaal precies meer wat Dominique allemaal zei toen we half naakt richting slaapkamer gingen (hij zei eigenlijk niet zoveel), maar één ding heb ik onthouden, een ding waardoor ik meteen wist dat we samen oud zouden worden, wat er ook zou gebeuren. 

‘Ik zie u graag.’


Dit verhaal is geschreven door June

Start Omhoog Volgende
* ©©©©© Alles op deze site is Copyright van de eigenaar en mag dus nergens anders geplaatst worden ©©©©©

*