Voor niets
“Ha, Britt, is Tony er nog niet?” Vraagt Vanbruane als ze het teamlokaal binnen komt. “Nog niet gezien”, reageert Britt, maar ze kijkt niet op van haar laptop. “Die pakt haar oude draad weer op. Ze komt gewoon weer te laat, net als vroeger”, moeit Vanneste er mee. “Toch niet de eerste werkdag na haar schorsing?” Merkt Vanbruane op, hopend dat het niet waar zal zijn. “Is er een zaak?” Wil Vanbruane weten terwijl ze aan het bureau van Tony gaat zitten. “Nee, maar ik heb het dossier van de vorige zaak bijna af.” “Mooi.” “Shit”, horen ze iemand zeggen. “Tien minuten.” “Ah, Tony, toch nog gekomen? Je bent inderdaad tien minuten te laat”, zegt Vanbruane. “Ik had zo gehoopt dat ik het zou halen, maar het lot werkt niet mee. Het spijt me”, zegt Tony en ze zet haar tas op haar bureau. “Tony, leg me dat uit. Een week geschorst en dan nog te laat komen. Ik zou aannemen dat je wel uitgerust zou zijn.” “Dat ben ik ook. Ik was ook helemaal van plan om op tijd te komen”, begint Tony, maar ze wordt onderbroken door Vanbruane. “Wat is er gebeurd? In die vijf maanden heb je vast nieuwe smoesjes bedacht. Toch niet één met Vera?” Vreest Vanbruane. “Geen smoesjes. Ik wilde juist vertrekken toen Vera ging spugen.” Ze stopt even, omdat ze ziet dat Vanbruane en Britt hun hoofd schudden. “Het is echt geen smoesje. Vera heeft vanmorgen zo over mij heen gespuugd. Ik had die kleding best aan willen houden en dan was ik hier ook ruim op tijd geweest, maar ik denk niet dat jullie daar erg blij mee zullen zijn. Het bewijs ligt thuis, als jullie mij niet geloven.” “Laat dat ook maar daar. Ze is toch niet ziek?” Vraagt Britt bezorgd. “Nee, ze is bij de dokter. Haar vader, weet je nog?” Verduidelijkt Tony als ze de gezichten voor zich ziet. “Ik denk dat haar eten verkeerd is gevallen. Meer niet. Is er een zaak?” “Nog niet. Je zult geduld moeten hebben”, zegt Britt. “Ik zal koffie halen.”
Niet veel later is Tony terug met drie bekers koffie. “Waar is Vanbruane heen? Ik heb koffie voor haar meegenomen.” “Ze is weggeroepen, maar wil je me even laten werken?” Tony haalt haar schouders op, legt haar voeten op haar bureau en drinkt van haar koffie.
“Wat een werkhouding! Dat heb je vast niet geleerd op de politieschool”, zegt Vanbruane en het gevolg is dat Tony snel haar voeten van haar bureau haalt. “Ik moest stil zijn Britt en ik heb koffie voor u meegenomen.” “Bedankt”, en ze pakt de beker met koffie. “Ik heb gehoord dat je de politieschool succesvol hebt afgerond.” “Anders mocht ik toch niet terug komen? Moeilijk was het niet. Ik heb het allemaal al een keer gehad, maar ik heb toch zo mijn eigen manieren om iets op te lossen.” Vanbruane glimlacht. “Ik heb gehoord dat je verhoortechnieken wat te hardhandig waren”, zegt ze lachend. “Ontzettend moeilijk om dat volgens het boekje te doen, maar mijn geheugen is totaal opgefrist. Alleen denk ik niet dat ik alles zal gaan toepassen wat ze me wijsgemaakt hebben. Het is allemaal voor niets geweest. Maar dat moet u maar niet verder vertellen.” “Zolang er geen problemen ontstaan. Nog wat vrije dagen overgehouden?” “Drie in totaal. Ik klaag niet.” Het gesprek wordt gestoord door de telefoon en Vanbruane wacht geduldig het telefoongesprek van Tony af. “Kom, Britt, werk. Verkeersongeluk, compleet.” “Compleet?” Vraagt Vanbruane verbaasd. Tony knikt. “Wagens perte totale, vluchtmisdrijf, gewonden en een dode.” Britt staat op, pakt haar jas en volgt haar ijverige collega naar de wagen. Niet veel later staan ze op de plaats van het ongeluk.
“Wat is er gebeurd?” Wilt Britt van een agent van de patrouille weten. “Een ongeluk”, zegt de agent. Tony wil zeggen dat ze dat echt niet door had, maar ze kan zich in houden. “Een dode, drie zwaargewonden en vijf licht gewonden. Eén van de zwaargewonden is een kind.” “Een kind?” Vraagt Tony ongerust en haar gedachten gaan naar Vera, Sam, Dorien en zelfs naar Sarah en Jitse “Een baby, eigenlijk, negen maanden oud.” Tony knikt dat het tot haar door dringt, maar haar gezicht is wel wat witter geworden. “Gaat het?” Vraagt de agent bezorgd. “Ze heeft zelf een baby, bijna vijf maanden, vandaar”, legt Britt kort uit. “Tony, ga even zitten. Ik wil niet dat je onderuit gaat.” Tony knikt en ze loopt terug naar de wagen. “Weet u hoe het gebeurd is?” “Nog niet precies, maar we weten wel dat de veroorzaker er vandoor is. Die rode Peugeot”, en hij wijst naar de rode wagen, “moest uitwijken en dat heeft een kettingreactie gegeven. Wagens moesten daarvoor uitwijken en zijn weer tegen elkaar geknald. In totaal zijn zes wagens bij betrokken en dan heb ik de vluchtwagen niet meegerekend.” “Wat voor wagen was dat?” Wilt Britt weten. “Een Smart, zwart, kentekenplaat voorlopig onbekend. We zijn nog niet klaar met de getuigen.” “Kan ik een lijst krijgen met wie in welke wagen zat?” De agent knikt. “Wij gaan naar het ziekenhuis en kijken wie we daar kunnen spreken”, zegt Britt en de agent knikt. Britt loopt terug naar de wagen en ze gaat achter het stuur zitten. “Gaat het weer een beetje?” “Ja, ja, ik ben alleen een beetje geschrokken.” “Dat geeft niet. Dat is het moedergevoel. Ik heb dat ook als het om een kind gaat van Dorien haar leeftijd.” “Ik moest aan Vera denken, maar ook aan Sam en Dorien. Het is misschien belachelijk, maar ik moest zelfs aan Sarah en Jitse denken. Zelfs na alles wat ze tegen mij hebben gedaan.” “Het gaat nu toch beter tussen jullie? Je bent gewoon zorgzaam. Kom, we gaan naar het ziekenhuis en kijken met wie we kunnen praten.” Tony knikt en tijdens de rit naar het ziekenhuis krijgt ze een verslag van het gesprek tussen de agent en Britt. Britt is net klaar met spreken als ze bij het ziekenhuis aankomen.
In het ziekenhuis kunnen ze uiteindelijk, maar twee personen spreken. Twee licht gewonden, de andere drie zijn in shock en de zwaargewonden zijn er te erg aan toe. Veel wijzer worden ze niet. Beide verklaren dat ze hebben moeten uitwijken en verder is het wazig. Britt spreekt nog een dokter en vraagt naar de toestand van de zwaargewonden.
“Ze gaan het wel halen, maar het zal wel even duren eer u ze kan spreken”, antwoordt de dokter op de vraag van Britt. “Ook de baby?” “De baby is een ander verhaal”, zegt de dokter na een zucht. “We mogen van geluk spreken als hij het einde van de dag haalt, maar we doen ons best. Een volwassene zou het wel overleven, maar een baby is te kwetsbaar.” Britt knikt wat afwezig en ze kijkt naar haar partner, die de witte kleur van twee uur geleden terug krijgt. “Houdt u ons op de hoogte?” Vraagt Britt en de dokter knikt. Daarna slaat ze een arm om haar partner heen en trekt haar naar zich toe. Pas als ze voelt dat haar collega rustiger is, neemt ze haar mee naar buiten. Daar lopen ze een stukje over de parking. “Het gaat wel weer. We moeten de dader vinden”, zegt Tony als ze er genoeg van heeft. “Dan gaan we naar het commissariaat en kijken we of ze al verder zijn.” Tony knikt alleen en ze stapt in de wagen.
“Ah, Britt, we hebben twee getallen van de vluchtwagen”, zegt Pasmans als hij Britt in het oog krijgt. “Het kenteken begint met een zeven en dan een zes.” Britt reageert niet. “Is er iets, Britt? Bekenden bij het ongeluk?” “Neen. Een baby, van wie het niet zeker is dat hij het zal halen. De kans is groot dat hij vandaag overlijdt.” Pasmans laat zich in zijn stoel vallen en staart voor zich uit. Op dat moment komt Tony met een beker koffie het teamlokaal binnen, ze ziet Pasmans zitten en geeft haar koffie aan hem. Hij stamelt iets als ‘bedankt’ en Tony gaat terug om een nieuwe koffie te halen. Ze komt er met twee terug en ze geeft er één aan Britt. “Was er al meer bekend, Britt?” Wil Tony weten. “Een deel van de kentekenplaat, maar daarvoor moet je bij Pasmans zijn.” Tony knikt begrijpend en ze stapt op Pasmans af. “Pasmans, wil jij voor mij in computer kijken en zoeken naar de eigenaar van de vluchtwagen?” Pasmans knikt. “Ik zal het doen en alleen omdat je me net koffie hebt gebracht.” Pasmans staat op en hij gaat naar de computer om de gegevens op te zoeken. “Britt, ik moest je dit geven”, zegt Carla en ze geeft Britt twee papiertjes met tekst erop. “Bedankt”, zegt ze tegen Carla en ze bekijkt de tekst vluchtig. “Dat is snel. Het is de lijst met namen en hun voertuigen”, meldt ze aan Tony. Tony knikt begrijpend. “Wat wil je daarmee doen?” “Nu weten we bij wie we veel kans hebben om meer over de vluchtwagen te weten te komen. We hebben meer kans dat de inzittenden van de rode Peugeot iets hebben gezien, dan de wagen die er als laatst tegen op is geknald.” “Je hebt gelijk”, geeft Tony toe. Een half uur later komt Pasmans met een verveeld gezicht achter de computer vandaan. Tony ziet het direct. “En Pasmans? Wat weet je?” “Dat er veel wagens in Gent zijn, waarvan het kenteken begint met zeven zes.” “Niet dat Pasmans. Heb je de Smart gevonden?” Vraagt Tony vriendelijker dan normaal na zo’n opmerking. Pasmans knikt. “Er is maar één Smart in Gent met die begingetallen, een zwarte.” “Bedankt, Pasmans”, zegt Tony vriendelijk. “Heb je het adres? Dan pakken we hem op.” “Tony, we weten niet zeker of de Smart wel uit Gent komt”, zegt Britt. “Dan nodigen we hem uit voor een gesprek. Heb je een adres, Pasmans?” “Natuurlijk, Zondernaamstraat 22. De wagens staat op naam van Sanne de Coninck, 37 jaar.” “Een vrouw?” Vraagt Tony verbaasd en ze ziet Pasmans knikken. “Is getrouwd of woont ze samen met een man?” “Getrouwd, al twaalf jaar met Jef de Coninck.” “Bedankt, Pasmans”, zegt Tony terwijl ze haar jas van haar stoel trekt. “Kom, Britt, we gaan met hem praten.” Zwijgend volgt Britt haar partner naar hun wagen. “Waarom denk je dat het een man is, die dat ongeluk heeft veroorzaakt?” Wil Britt weten als ze in de wagen zitten. “Ik voel het”, zegt Tony om de rest van de rit te zwijgen.
Bij het huis aangekomen zien ze nergens een zwarte Smart staan. Tony belt aan bij het huis met nummer 22, maar na drie keer bellen wordt de deur nog altijd niet geopend. Tony heeft al door de ramen naar binnen gekeken, maar er was nergens beweging te zien in het huis. Ze lopen nog een keer door de tuin en willen juist opgeven als ze aangesproken worden. “Wat doen jullie hier?” Vraagt een vrouw streng. “Wij zijn op zoek naar Sanne de Coninck”, antwoordt Britt. “We zouden graag met haar willen spreken.” “Wie bent u?” Wil de vrouw weten. “Britt Michiels, Tony Dierickx, politie Gent”, zegt Britt terwijl ze haar legitimatie toont. “Weet u waar we haar kunnen vinden?” “Ze is op vakantie met haar man”, antwoordt de vrouw. “Op vakantie?” vraagt Tony verbaasd. De vrouw knikt. “Ze zijn al een week weg en het zal nog een week duren voor ze terug zijn.” “Zijn ze met de wagen op vakantie?” De vrouw knikt. “Ze zijn met een tent op vakantie.” “In een Smart?” vraagt Tony verbaasd. “Maar nee, met hun zwarte Saab. Wat dacht u?” “Maar ze bezitten wel een zwarte Smart?” vraagt Tony verder. De vrouw knikt. “Ze hebben twee wagens, maar met een Smartje kan je echt niet op vakantie. Sanne gebruikt die om bij haar werk te komen, die Smart is gemakkelijk in de stad.” “Waar is die Smart nu?” wil Britt weten. “Volgens mij had ze die aan een vriendin uitgeleend. Is er wat mee?” “Er is een ongeluk mee gebeurd”, antwoordt Britt. “Weet u toevallig wie die vriendin is?” De vrouw schudt haar hoofd. “Nee, sorry, ik ken haar alleen van gezicht, meer niet.” “Waar kunnen we Sanne de Coninck bereiken?” “Spanje, in de buurt van Cullera, dacht ik en volgens mij spreek ik het verkeerd uit. Het ligt onder València”, zegt de vrouw en ze probeert het op z’n Spaans uit te spreken. Britt knikt begrijpend. “Hebt u een telefoonnummer of andere gegevens, waarmee we contact met ze op kunnen nemen?” “Een momentje, ik zal voor u kijken.” De vrouw loopt bij ze vandaan en ze gaat het huis ernaast binnen. “Britt, waar ligt València?” wil Tony weten. “In Spanje, hè.” “Zo ver was ik dus ook al. Waar in Spanje?” “Het ligt aan de Golf van València”, zegt Britt en ze spreekt de naam op z’n Spaans uit. Ze ziet het geïrriteerde gezicht van Tony, waar ze om moet lachen. “Costa del Azahar, maar dat weet je vast ook niet liggen”, zegt Britt en ze ziet Tony met haar hoofd schudden. “Het ligt ongeveer op de helft van de oostkust van Spanje.” “Ah”, zegt Tony, “onder Barcelona dus”, concludeert ze. “Inderdaad, onder Barcelona”, zegt Britt en ze moet moeite doen om haar lach in te houden. “Wat is er?” wil Tony weten. “Britt? Zit ik nu helemaal fout?” “Valt wel mee. Je zit er maar een paar honderd kilometer naast”, zegt Britt alsof het niets is. “Een paar honderd?” Roept Tony verbaasd. Britt knikt rustig. “Het ligt dus in het zuiden.” Britt schudt afkeurend haar hoofd. “Ik zal zien of ik thuis een kaart van Spanje heb, dan zal ik je het tonen.” Tony knikt in de richting van het huis waar de vrouw binnen is gegaan. Britt kijkt om en ze ziet, net als Tony, dat de vrouw terug komt. “Ik heb een telefoonnummer gevonden van de camping”, meldt de vrouw. “Is dat goed?” “Natuurlijk,” zegt Tony, “wij kunnen haar nu wel bereiken. Bedankt voor de moeite.” “Geen probleem”, reageert de vrouw nog voordat Tony en Britt vertrekken.
Op het commissariaat aangekomen, wil Vanbruane een briefing hebben. Zo gaan Tony en Britt direct naar het kamertje van Vanbruane. “Al wat wijzer van het verkeersongeluk van deze morgen?” Wil ze weten. “Een beetje, ja”, reageert Tony. “De aanrijding is veroorzaakt door een zwarte Smart op naam van Sanne de Coninck, maar die in Spanje, op vakantie. Ze heeft waarschijnlijk haar wagentje uitgeleend aan een vriendin. Britt gaat zo bellen en misschien weten we dan meer.” “Ik?” vraagt Britt verbaasd. “Ja, wie anders? Ik spreek geen Spaans”, zegt Tony. “Weten jullie verder nog iets?” wil Vanbruane weten. “We zijn nog niet verder.” “Oké, ga die vrouw maar bellen.” Tony en Britt gaan terug naar hun bureaus. Als Britt zit, toetst ze direct het gekregen nummer in. “Buenos días, me llamo Britt Michiels. Soy de Bélgica. Policía. Quisiera hablar Sanne de Coninck, por favor… Sanne de Coninck… si si (ze geeft haar telefoonnummer in het Spaans)… si si… Muchas gracias.”
Tony heeft niet eens geprobeerd om het gesprek te volgen en ze zit achterovergeleund op haar stoel het gesprek af te wachten. “En?” “Sanne de Coninck wordt verwittigd. Ze zullen haar vragen of ze ons terug belt.” “Wanneer gaat ze bellen?” Vraagt Tony. “Hoe moet ik dat weten? Het ligt er aan hoe ze snel ze het bericht te horen krijgt.” “Oké. Wat doen we nu?” Wil Tony weten. “Wachten en pv’s doen.” “Moet dat?” vraagt ze, maar ze ziet Britt nadrukkelijk knikken. Met tegenzin gaat Tony werken aan het pv over het verkeersongeluk van deze morgen. Ze moet weer terug denken aan de baby en juist op dat moment gaat de telefoon, die opgenomen wordt door Britt. Tony ziet het direct aan het gezicht van Britt: de baby is overleden. Beide blijven ze een paar minuten verslagen voor zich uit kijken, maar lang hebben ze niet om er over na te blijven denken. De telefoon gaat weer en het is weer Britt die opneemt. “Sanne de Coninck”, zegt Britt als het telefoongesprek is afgelopen, “heeft haar Smart uitgeleend aan Anja Sevaes. De wagen van Anja Sevaes is gestolen en daarom heeft Sanne de Coninck besloten haar Smart uit te lenen.” Tony knikt begrijpend. “Ik zal haar gegevens opzoeken”, zegt ze en ze staat op.
“Anja Sevaes woont hier in Gent, Volmolenstraat 15, 32 jaar. Gaan we haar opzoeken?” Britt knikt en ze vertrekken naar het adres, waar de deur snel geopend wordt. “Anja Sevaes?” vraagt Britt en de vrouw in de deuropening knikt. “Britt Michiels, Tony Dierickx, politie Gent. Kunnen wij even met u spreken?” “Komt u binnen”, zegt de vrouw en ze houdt de deur voor de twee dames over. “U hebt de wagen van Sanne de Coninck geleend?” wil Tony weten als ze op de bank zitten. Anja Sevaes knikt. “Een zwarte Smart?” Weer knikt ze. “Bent u de enige geweest die in die wagen gereden heeft?” wil Tony weten, omdat ze zich niet kan voorstellen dat de vrouw tegenover haar een ongeluk heeft veroorzaakt en daarna vluchtmisdrijf heeft gepleegd. “Ik heb echt niet die Smart aan een ander uitgeleend.” “Met die Smart is een ongeluk veroorzaakt”, zegt Tony en ze let op de reactie van de vrouw, maar ze schrikt. Bij Anja lopen de tranen over haar wangen. “Hebt u dat ongeluk veroorzaakt?” vraagt Tony verbaasd. “Wat is er gebeurd?” vraagt Britt. “Ik eh… ik eh…”, maar verder komt ze niet, ze klapt dicht. Britt legt troostend een arm om haar heen. “Mevrouw Sevaes, wat is er gebeurd?” “Mijn man is dood. Kanker. We verwachten een kind”, zegt ze. “Het spijt me van dat ongeluk. Ik heb het pas gemerkt toen ik thuis was. Het spijt mij”, zegt Anja diep in tranen. “Ik kwam juist uit het ziekenhuis. Ik had dat niet moeten doen”, zegt ze en ze snuit haar neus in een zakdoek. “Mevrouw Sevaes, het spijt ons dat te horen. Sterkte”, zegt Britt en ze staat op. “Wat gaat er gebeuren?” wil ze weten. “Dat zal de onderzoeksrechter beslissen”, zegt Britt en ze vertrekt samen met Tony. De gehele rit naar het commissariaat wordt er niet gesproken. Er hangt een vervelende doodse stilte in de wagen, die ze meenemen naar het commissariaat.
“Tony, Britt, bureau”, zegt Vanbruane als ze de twee dames in het oog krijgt. Zwijgzaam gaan ze zitten in het kamertje. “Zijn jullie nu wel verder?” “Anja Sevaes heeft de wagen van Sanne de Coninck geleend, omdat die van haar gestolen is”, begint Britt. “Ze heeft vanmorgen te horen gekregen dat haar man overleden is aan kanker. Ze was in shock toen ze dat ongeluk veroorzaakte.” “Dus geen opzet?” vraagt Vanbruane voor de zekerheid. “Neen, dat zegt ze toch?” valt Tony uit. “Geen gangster, geen joyrider, maar een vrouw in shock!” Tony staat op en ze verlaat het kamertje van Vanbruane. “Wat is er met haar?” wil Vanbruane weten. “De schrik, teveel meegemaakt vandaag. Anja is in verwachting, ze was in shock toen ze in de wagen stapte. Vanmiddag is ook bekent geworden dat de baby van het ongeluk overleden is. Het is haar teveel, denk ik”, zegt Britt en ze ziet Vanbruane zwijgend knikken. “Ik zal zorgen dat morgen alles bij de onderzoeksrechter ligt.” Vanbruane knikt. “Ga morgen verder. Ga nu naar huis en neem vooral Tony mee.” Britt knikt en ze gaat terug naar haar bureau. “Tony, we mogen naar huis, kom.” Zwijgend neemt Tony haar jas. “Is het nog uit met Sam?” Tony knikt. “Ga dan met mij. Kunnen we wat praten en dan zal ik je laten zien waar València ligt.” “Dat is Spanje”, moeit Vanneste. “Ga je daar op vakantie?” “Nee, Vanneste. Moei je niet”, zegt Britt. “Britt, ik moet vanavond nog wel Vera ophalen.” “Geen probleem.” Ze vertrekken naar het appartement van Britt, waar Johan en zijn zoon ook blijken te zijn. Johan wilde juist beginnen met eten koken als Britt en Tony binnen komen en zo hebben de dames nog even tijd om nog wat te praten.
“Hier ligt València”, zegt Britt als ze na het eten de kaart van Spanje heeft gevonden. “Daar?” vraagt Tony verbaasd. “Dat is toch niet honderden kilometers onder Barcelona?” “Oh nee? Kijk naar de schaalverdeling.” “Sorry, ik dacht dat Spanje niet zo heel groot was. Weer iets bij geleerd”, zegt ze. “Vind je het erg als ik nu weg ga? Ik wil echt Vera zien”, zegt Tony. Britt knikt begrijpend. “Ga maar. Ik begrijp dat echt wel.” “Oké, ik zie je morgen weer.”
“Hé, Britt”, zegt Tony als Britt het teamlokaal binnen komt. “Je bent er al?” vraagt Britt verbaasd. “Natuurlijk. Ik ben ook al vast begonnen met de verklaring van Anja.” Nog wat verbaasder gaat Britt zitten. “Je bent toch niet ziek?” “Zie ik er ziek uit?” vraagt Tony terwijl ze zich weer op haar computerscherm concentreert. “Je bent vroeg…”, begint Britt, maar ze wordt onderbroken. “Op tijd, bedoel je.” “Oké, op tijd. En je doet papierwerk. Ik maak me zorgen”, zegt Britt. “Er is niets. Sam en Vera zijn de oorzaak.” “Sam? Jullie zijn dus weer bij elkaar?” concludeert Britt. “Maar nee. Een goed gesprek gehad. Is Lieve bij jou?” Britt knikt verbaasd. “Vanmiddag, als Dorien uit school komt. Waarom?” “Sam wil haar eens spreken. Voor Vera, begrijp je?” “Natuurlijk. Ik had eigenlijk al verwacht dat jullie een andere babysitter hadden, omdat jullie maar niet met Lieve gingen praten.” “We hebben het tot nu toe nog kunnen regelen, maar dat zal wel niet zo blijven. Sam en ik hebben gisteren met elkaar gesproken en toen hebben we het er weer overgehad. Maar denk je dat ze wel op Vera wil babysitten?” vraagt Tony ineens bezorgd. “Dat heeft ze toch al gezegd? Ze heeft mij ook al een keer gevraagd of jullie al een beslissing hadden genomen. Ze wil het graag doen.” “Oké. Ik zal haar eens bellen en ik denk dat Sam het wel goed zal vinden. Kom je me helpen met dat dossier?” vraagt Tony terwijl ze een mapje op het bureau van Britt gooit. Britt knikt en ze gaan aan het werken. Na ruim een uur is Tony klaar.
“Britt, hoe ver sta je? Mijn deel is af.” “Vijf minuutjes”, zegt Britt. In die vijf minuten heeft Tony koffie gehaald voor haar partner. “Lekker. Ik ben klaar.” “Ik zal het naar Vanbruane brengen”, zegt Tony en loopt met het dossier door naar het kamertje van Vanbruane. “Binnen”, hoort Tony nadat ze op de deur heeft geklopt. “Ah, Tony, ga zitten.” “We hebben de zaak afgerond, hier is het dossier.” “Ah, dat is mooi”, zegt Vanbruane terwijl ze het dossier in ontvangst neemt. “Ik wil nog even mijn excuses aanbieden voor gistermiddag. Ik had niet zo mogen uitvallen”, zegt Tony. “Excuses aanvaard. Het kan iedereen wel eens overkomen. Ik heb een nieuwe opdracht voor jullie.” “Zo snel? Wat is het?” wil Tony nieuwsgierig weten. “De burgemeester wil meer patrouilles op straat.” “Kunnen de mannen dat niet doen?” vraagt Tony. Vanbruane schudt haar hoofd. “Extra patrouilles. Over drie dagen is het voorjaarsvakantie. Het wordt mooi weer, dus zullen de mensen wel massaal op straat komen, denk je ook niet?” Tony knikt. “Toch niet in uniform?” zegt Tony en ze vreest dat ze weer in uniform moet rondlopen. “Wel in uniform. Hoe kunnen de toeristen jullie anders herkennen als flikken?” Vanbruane glimlacht. “Er zijn zakkenrollers actief in Gent.” Tony zucht duidelijk hoorbaar. “Ze spreken toch niet toevallig Spaans?” vraagt Tony, maar ze ziet Vanbruane knikken. “Het is niet waar!” roept Tony onbeheerst uit. “Rustig, Tony, het was maar een grapje.”
Tony gaat opgelucht achterover zitten. “Wat hebt u dan wel voor ons?” “Een graffitispuiter. Hij spuit racistische leuzen overal in de stad. De burgemeester wil dat het zo snel mogelijk verdwijnt. Hier is een lijst met plaatsen die hij al beklad heeft. Ik wil dat jullie patrouille gaan rijden en probeer de graffitispuiter te pakken.” “We zullen ons best doen”, belooft Tony en ze gaat het kamertje uit. “En? Nieuwe zaak?” vraagt Britt. Tony laat zich op haar stoel vallen. “Waarom moest ik nu naar de politieschool terug? De echte criminelen lijken verdwenen”, klaagt Tony. “Het is voor niets geweest en daar heb ik mijn tijd aan moeten verspillen. Voor niets.” “Wat voor zaak hebben we?” onderbreekt Britt het geklaag van haar partner. “Eerst een aanrijding. Nee, geen joyrider, geen gangster, zelfs geen crimineel, maar een vrouw in shock. En nu moeten we achter een graffitispuiter aan.” “Dat is dus onze nieuwe zaak”, concludeert Britt. Tony knikt. “Een racist. We moeten net zo lang patrouille rijden, totdat we hem tegen komen.” “Kom, we gaan kijken of we hem tegenkomen.”
Britt neemt haar jas en tegen haar zin doet Tony hetzelfde.
“Britt, hoe weet Vanbruane van dat Spaanse verhaal?” wil Tony weten als ze naar de Seminariestraat rijden, de straat die het meest getroffen is. “We hebben het haar zelf verteld”, antwoordt Britt. “Echt niet”, zegt Tony resoluut. “Gistermiddag toen we Vanbruane aan het briefen waren.” “Niet dat. Dat van die zakkenrollers, die Spaans spraken. Je weet wel, Vanneste die een Spaanse krant las en Deprez…” “Oh, dat. Toen we in uniform moesten patrouilleren? Waarom begin je daarover?” wil Britt weten, omdat ze niet begrijpt waarom Tony dat weer boven haalt. Zo leuk vond Tony die situatie niet. “Vanbruane begon er net over. Ze zei dat we een nieuwe zaak hadden en daarvoor moesten we patrouilleren in uniform. Ze voegde er nog aan toe dat het zakkenrollers waren en ze bleken nog Spaans te spreken ook. Hoe weet ze dat? Ik heb het nooit meer iemand horen vertellen”, zegt Tony. “Ik heb het haar niet verteld, maar misschien heeft ze van Ben”, zegt Britt. “Dat is echt iets voor hem. Hij was het ook die toen met Deprez heeft gepraat.” “Als ik hem vandaag tegen kom…” dreigt Tony, maar ze gaat niet verder.
Ze zijn in de Seminariestraat aangekomen en het eerste graffitiwerk zijn ze al tegengekomen. ‘Vreemden weg’ staat er op een huis geschreven. Het huis er tegenover is ook beklad, ‘white power 4 ever’. Tony en Britt kijken elkaar aan en ze schudden beide hun hoofd. Langzaam rijden ze verder, waar ze meer spreuken tegenkomen. Ze zijn verschillend, maar allemaal racistisch. De ene keer moeten de Turken het ontgelden en de andere keer zijn dat de Marokkanen.
Na twee uur patrouilleren, rijden ze terug binnen. Iets, waar Vanbruane niet helemaal blij mee is. “Wat is de reden daarvoor, dames?” “Ik heb nu echt wel genoeg racistische uitspraken gezien”, zegt Tony terwijl ze op haar stoel gaat zitten. “De dader is echt niet overdag actief en hij kan overal bezig zijn.” “Zoek dan uit waar jullie verwachten dat hij op zal duiken. Dat racisme moet zo snel mogelijk stoppen”, vindt Vanbruane. “Natuurlijk”, zegt Tony. Vanbruane gaat terug naar haar kantoortje. “Wat heeft die? Denkt ze soms dat we die racist de cel in kunnen toveren?” “Tony”, zegt Britt waarschuwend. “Maar het is toch zo? Ze wilt echt dat we maar blijven patrouilleren totdat we hem tegen komen.” “Ze zal wel onderdruk staan, denk je niet? Het is ook niet van haar gewoonte om zo te reageren. Maar we zullen doen wat we zegt, we gaan uitzoeken waar hij op zal duiken”, beslist Britt. Tony zucht. “Hoe wil je dat gaan doen? Die racist zoekt gewoon een geschikte plek uit. Daar zit echt geen theorie achter. Of wil je alle mogelijke doelwitten in de gaten gaan houden?” “Tony, alsjeblieft, niet zo negatief. Of heb je soms een beter voorstel?” “Dat zeg ik toch niet? Hoe wil je het gaan aanpakken?” vraagt Tony een stuk vriendelijker dan de vorige keer. Britt staat op en ze gaat naar de muur met een grote stadsplan van Gent, waar ze magneten kleeft op de plekken waar de graffitispuiter is geweest. “Geen patroon”, constateert Britt. “We moeten iets anders bedenken.” “Ik luister”, zegt Tony, omdat ze het zelf niet weet en ze gaat achterover zitten. “We kunnen de Seminariestraat meer in de gaten laten houden, die is namelijk het meest getroffen”, stelt Britt voor. “Zou jij gaan spuiten op een plek waar om de zoveel minuten een politiepatrouille voorbij rijdt?” Britt schudt haar hoofd. “Nee, maar ik ben het ook niet van plan. We laten ze wel in een gewone wagen rijden.” “En dat valt niet op? Een wagen die steeds weer door de straat rijdt. Die straat staat nu wel vol. Hij zal op zoek gaan naar een andere plek, geloof me”, zegt Tony. “Wat is jouw plan dan? Kom dan zelf met ideeën”, zegt Britt wat geïrriteerd. “Die gast loopt vanzelf wel tegen de lamp en dat gaat niet lang meer duren. We moeten niet onze tijd verspillen om hem te gaan zoeken. Kan jij iets vinden als je er echt naar op zoek bent? Ik niet. En als ik er dan niet naar zoek, vind ik het.” “Maar dat zijn voorwerpen. We zijn nu op zoek naar een persoon. Je kunt toch begrijpen dat de burgemeester daar niet blij mee is? Hij zal niet zo vrolijk worden als hij hoort dat we niet naar de racist zoeken”, zegt Britt. “Daar heb je gelijk in. Mag ik het dossier even?” Tony krijgt het dossier en ze begint erin te bladeren. “Hier, onze racist zet er steeds een handtekening onder”, zegt Tony terwijl ze het op een foto aanwijst. “Wee pee vier ee”, zegt ze verbaasd. Britt kijkt bijna net zo verbaasd. “Zei je nu een vier?” Tony knikt en ze toont Britt de foto. “Dus geen initialen? Maar wat betekent het wel?” “Als ik dat eens wist.” Ze zwijgen, omdat ze allebei niet weten wat ze moeten doen.
Pasmans komt thuis. Hij kijkt verbaasd naar de persoon die voor zijn appartement staat. “Wat is die aan het doen?” vraagt hij zichzelf hardop af. Hij parkeert zijn wagen meters van zijn appartement vandaan. Voorzichtig loopt hij er heen en dan ziet hij het. Een graffitispuiter is bezig met een tekst. ‘Gent Schoon’, staat er met grote witte letters en de man is net bezig met zijn handelsteken. Pasmans grijpt hem in zijn kraag en gooit de persoon tegen de grond. Hij schreeuwt uit protest. “Wat was jij aan het doen?” “Ben je blind of wat? Laat me gerust!” “Politie. Ik verbied je om zo tegen mij te praten”, zegt Pasmans op een manier dat het niet overtuigend overkomt. Hij pakt zijn handboeien en boeit de protesterende man, waarna hij zijn collega’s belt.
Tony en Sam zitten op de bank in de boot. Ze zijn net bij Lieve geweest en Sam is het helemaal met Tony eens dat ze de ideale babysit voor Vera is. “Ik heb Sarah en Jitse belooft om vanavond thuis te zijn. We zouden met z’n drieën uit eten gaan”, zegt Sam. Tony baalt, omdat de kinderen van Sam nog altijd hun relatie in de weg staan. Ze had er een gezellige avond met Sam van willen maken. Sam ziet het aan haar gezicht. “Het spijt me, maar dit hadden we al twee weken gepland. Morgen ben jij aan de beurt”, zegt Sam terwijl hij haar hand wil pakken om erover te strelen. Tony trekt haar hand terug en ze staat op zonder iets tegen Sam te zeggen. “Tony…”, zegt Sam, maar hij weet niet hoe hij verder moet. Ook hij is niet blij met de situatie. Tony is opgelucht als ze het deuntje van haar gsm hoort. De beller krijgt snel een vrolijke reactie, maar haar vriendelijkheid verdwijnt snel. Het is Pasmans die eist dat ze naar het commissariaat komt. “Sam, ik moet werken.” “Maar Tony… En Vera dan?” “Ik blijf liever thuis bij Vera, maar ik moet echt gaan. Kun je Vera niet meenemen?” vraagt Tony terwijl ze op zoek naar haar jas gaat. “Tony! Je begrijpt toch dat het niet gaat?” Tony zucht. “Ik probeer zo snel mogelijk weer thuis te zijn. Dat beloof ik”, zegt ze en vertrekt, zodat Sam niet kan protesteren.
“Pasmans? Waarom moest ik komen? Waar is Britt?” vraagt Tony als ze het teamlokaal binnenkomt. Ze klinkt alles behalve vriendelijk. “Britt kon ik niet bereiken.” Tony zucht en wilde dat ze haar gsm nooit had beantwoordt. Britt was slimmer geweest. “Wat is er gebeurd?” Het gezicht van Pasmans wordt iets roder. “Ik eh… ik eh”, stamelt hij. “Hij heeft jullie graffitispuiter gepakt”, helpt Raymond zijn partner. “Wat?” roept Tony verbaasd uit. “Waar?” “Hij stond te spuiten bij Pasmans thuis.” Dat vrolijkt Tony iets op. “Wat een fout”, zegt Tony sarcastisch. “Wat heeft hij bij u geschreven?” “Gent Schoon.” “En je weet zeker dat hij de man is die wij zoeken?” Raymond geeft Tony een foto. “Wee pee vier ee. White power for ever.” Tony kijkt Raymond verbaasd aan. “Hebben jullie hem al verhoord?” Raymond knikt. “Waarom moest ik dan komen? Ik kon thuis eigenlijk niet weg.” “We dachten dat je hem wel zou willen spreken. We hebben je vanmiddag bezig gezien.” “Normaal zou ik hem direct willen spreken, maar nu wil ik echt naar huis. Hij zal tot morgen moeten wachten, maar jullie mogen jullie gerust met hem bezig houden. Tot morgen”, zegt Tony en ze wil vertrekken. “Tony,” houdt Raymond haar tegen, “zijn er problemen?” “Maar nee. Sam moet weg en ik heb hem beloofd om zo snel mogelijk terug te zijn. Sorry”, zegt Tony en ze vertrekt.
“Goedemorgen”, zegt Britt vriendelijk als ze Tony ziet binnenkomen. Met een zucht gaat Tony zitten aan haar bureau. “Waarom ben jij gisteravond niet gegaan? Dat zou mij weer een ruzie bespaard hebben.” “Sorry, maar ik ben niet gebeld. Wat is er gisteravond dan gebeurd?” “Die racist is opgepakt en Pasmans heeft mij gebeld”, zegt Tony op de manier dat Pasmans een grote fout gemaakt heeft. “Waar hebben ze hem opgepakt?” vraagt Britt geïnteresseerd. “Pasmans heeft hem opgepakt. Hij stond te spuiten op het appartement van Pasmans.” Britt krijgt moeite om haar lach in te houden. “Bij Pasmans? Wat heeft hij daar gespoten?” “Gent Schoon.” “Weten ze wel zeker dat hij de man is die we zoeken?” Tony knikt. “Zijn handtekening stond eronder. Met ‘Gent Schoon’ zal hij wel bedoelen dat alle allochtonen weg moeten. Koffie?” Britt knikt.
Bijna tien minuten later komt Tony terug met twee bekers koffie. “Hebben ze de koffieautomaat aan de andere kant van de stad gezet?” vraagt Britt als ze haar beker krijgt. “Nee, maar ik kwam Pasmans en Raymond tegen. De racist heeft bekend. Pasmans heeft aangeboden om zijn verklaring uit te typen. We zijn klaar. Case closed.” “Heeft hij verteld waarom hij die racistische leuzen over de stad verspreidde?” Tony knikt. “Slechte ervaringen met gekleurde medemensen. Twee allochtonen hebben zijn zusje lastig gevallen en beroofd van haar spullen.” Britt schudt afkeurend haar hoofd. Erop reageren kan niet, omdat Vanbruane om aandacht vraagt. “Jullie weten vast wel dat er zo af en toe de technieken bijgewerkt moeten worden”, begint Vanbruane. “Na overleg hebben ze besloten dat jullie nu aan de beurt zijn om jullie gezichten op de politieschool te laten zien.” “Het is niet waar!” roept Tony geërgerd uit. “Ik ben net geweest.” Vanbruane knikt. “Dat weet ik. Je hoeft dan ook niet, maar je collega’s wel.” Tony zucht opgelucht. “Ik was bang dat ik er weer moest.” Vanbruane schudt haar hoofd met een lach. “Dankzij jou mogen je collega’s nu gaan. Bij jou hebben ze gezien dat het echt wel nodig is.” “Bedankt, hè, Dierickx”, klaagt Vanneste. “Vanneste, ze waren het al van plan voordat Tony heeft besloten om terug te komen. Ze hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om hun plan uit te testen.” “Waarom ik altijd?” klaagt Tony. “Niet altijd jou”, verbetert Vanbruane. “Bij jou hebben ze gezien dat het echt wel nodig is om jullie geheugen op te frissen.” “Wie neemt er nu Tony als voorbeeld?” vraagt Vanneste niet-begrijpend. Vanbruane gaat niet in op Vanneste. “Ze zijn op hoger niveau er achter gekomen dat het niet gemakkelijk met het werk te combineren is. Met dank aan Tony”, zegt Vanbruane. “Dat had ik al voorspeld. Hebben ze mij daarvoor geschorst?” vraagt Tony ongelovig. “Je bent nooit geschorst geweest”, stelt Vanbruane Tony gerust. “We hebben je dat wijsgemaakt om je toch op de politieschool te krijgen.” “Had ik dat maar geweten.” “Precies daarom hebben we je wat onder druk gezet, anders was je nu nog niet op de helft geweest. Bij jou hebben ze gezien hoeveel tijd er ongeveer nodig is en dat het sneller gaat als er niet gecombineerd hoef te worden met het werk. Daarom krijgen jullie die tijd gratis vrij.” “Het is niet eerlijk”, klaagt Tony. “Volgens mij ben jij ook gewoon vrij geweest en je hebt zelfs langer de tijd gehad”, zegt Vanbruane. “Het had dus ook niets te maken met dat ik er een tijd tussen uit ben geweest?” Vanbruane schudt overtuigend haar hoofd. “Iedereen is er mooi ingetrapt, inclusief jezelf”, zegt Vanbruane met een lach en ze gaat terug naar haar kamertje. Tony gaat achter haar aan. “Commissaris, als iedereen straks vrij is of op de politieschool rond hangt, met wie werk ik dan samen?” “Dat is een goede vraag. Ik zal wat proberen te regelen. Wees gerust.” Tony is helemaal niet gerust, omdat ze niet met een vervanger wil werken. Ze verlaat het kamertje en ze gaat aan haar bureau zitten. Om haar heen ziet ze de collega’s met een niet zo vrolijke uitdrukking op het gezicht. Zelfs Pasmans wil niet terug naar de politieschool.
Wordt vervolgd (serie)
Geschreven door: Patrouille 101
Voor de liefhebbers: De vertaling van het Spaanse stukje tekst.
“Goedendag, ik ben Britt Michiels. Ik ben van België. Politie. Ik zou Sanne de Coninck willen spreken, alstublieft… Sanne de Coninck… ja ja (ze geeft haar telefoonnummer)… ja ja… Dank u wel.”
Sorry voor eventuele fouten, maar mijn Spaans is zeer slecht. (Voor geen enkel vak heb ik zoveel enen bij elkaar geraapt.) |